Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6503

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
07-4454 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging Ziektewetuitkering. Niet-ontvankelijk verklaring van het bestreden besluit omdat de brief van 14 augustus 2006 geen besluit in de zin van de Awb. De brief is, ondanks het feit dat daarin een bezwaarclausule is opgenomen, niet gericht op enig rechtsgevolg, reeds omdat daarin geen concrete datum van beëindiging wordt genoemd. De Raad is van oordeel dat de brief, gelet op de tekst en hetgeen de gemachtigde van het Uwv op de zitting heeft verklaard, berust op een kennelijke misslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4454 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 6 juni 2007, 06/4573 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.E. González Pérez, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2009. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.H.J.A. Olthof.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij brief van 31 juli 2006 verzoekt de gemachtigde van appellante het Uwv om haar het dossier van appellante te doen toekomen zodat zij appellante verder kan adviseren. De reden van dit verzoek is dat appellante sinds januari 2006 geen Ziektewetuitkering meer heeft ontvangen, noch salaris van haar werkgever.

2. Bij brief van 14 augustus 2006 heeft het Uwv het volgende aan appellante meegedeeld: “Bij ons is bekend dat u sinds nog niet bekend weer beter bent. Daarom beëindigen wij uw Ziektewetuitkering met ingang van die datum”.

Bij besluit van 6 oktober 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen voormelde brief door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat de brief van 14 augustus 2006 geen besluit is, omdat deze niet is gericht op enig rechtsgevolg nu reeds op 28 maart 2006 een beslissing over de Ziektewetuitkering van appellante is genomen en bij besluit van 4 juli 2006 het daartegen gemaakte bezwaar van appellante ongegrond is verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit van 6 oktober 2006 ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft appellante haar opvatting staande gehouden dat de brief van 14 augustus 2006 een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen zij tijdig (binnen 6 weken) bezwaar heeft aangetekend. Voorts stelt appellante zich op het standpunt dat haar een rechtsgang is ontnomen nu zij geen beroep heeft kunnen indienen tegen de beslissing op bezwaar.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad stelt vast dat de brief van 14 augustus 2006 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De brief is, ondanks het feit dat daarin een bezwaarclausule is opgenomen, niet gericht op enig rechtsgevolg, reeds omdat daarin geen concrete datum van beëindiging wordt genoemd. De Raad is van oordeel dat de brief, gelet op de tekst en hetgeen de gemachtigde van het Uwv op de zitting heeft verklaard, berust op een kennelijke misslag.

5.3. De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat haar een rechtsgang is ontnomen nu zij geen beroep heeft kunnen indienen tegen de beslissing op bezwaar. De Raad is niet gebleken van omstandigheden die appellante in de weg hebben gestaan om tegen het eerder genomen besluit op bezwaar, gedateerd 4 juli 2006, beroep in te stellen bij de rechtbank. De Raad wijst er daarbij op dat door appellante niet wordt betwist dat zij het besluit van 4 juli 2006 heeft ontvangen.

5.4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het Uwv het bezwaar van appellante tegen de brief van 14 augustus 2006 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) E.M. de Bree.

GdJ