Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6489

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
07-3896 WWB + 07-3897 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de afschriften van twee op naam van appellanten staande bankrekeningen, waarom het College appellanten tijdens de bezwaarprocedure heeft verzocht, van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand van appellanten, te meer daar het gaat om bankrekeningen waarvan het bestaan tot het onderzoek bij het College niet bekend was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3896 WWB

07/3897 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), wonende te ’s-Gravenhage, (hierna ook aangeduid als appellanten)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 juni 2007, 06/4344, (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: College).

Datum uitspraak: 10 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, advocaat te Wassenaar, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2009. Appellanten zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Schuurman, werkzaam bij de gemeente Leidschendam-Voorburg.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen vanaf 18 december 2002 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Uit een onderzoek dat de Sociale Recherche Leidschendam-Voorburg in mei 2005 op verzoek van het College heeft ingesteld is naar voren gekomen dat appellanten tijdens de bijstandsperiode meer inkomsten uit arbeid hebben genoten dan waarmee bij de bijstandsverlening rekening is gehouden. De bevindingen van dit onderzoek, welke zijn neergelegd in een rapport van 17 mei 2005, waren voor het College aanleiding om bij besluit van 20 mei 2005 de bijstand van appellanten over de periode van 18 december 2002 tot en met 30 april 2005 te herzien en met ingang van 1 mei 2005 in te trekken op de grond dat zij gedurende de bijstandsperiode in hun eigen levensonderhoud hebben kunnen voorzien en onjuiste inlichtingen hebben verstrekt, met als gevolg dat aan hen ten onrechte bijstand is verstrekt.

1.2. In hun bezwaarschrift tegen het besluit van 20 mei 2005 hebben appellanten aangevoerd dat zij vanaf 1 mei 2005 niet in het bestaansminimum kunnen voorzien. In verband hiermee heeft het College nader onderzocht of appellanten vanaf 1 mei 2005 in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeren. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat appellant vanaf 30 mei 2005 werkzaam is bij [werkgeefster] en dat appellante met ingang van 1 februari 2005 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangt. Het College heeft vervolgens informatie opgevraagd bij [werkgeefster] en bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Daarnaast heeft het College appellanten bij brief van 11 oktober 2005 verzocht om vóór 22 oktober 2005 van een tweetal bankrekeningen, welke door hen niet eerder bij het College waren opgegeven, alle bankafschriften over de periode van 18 december 2002 tot 1 juni 2005 in te leveren. Appellanten hebben niet aan dit verzoek voldaan. Wel hebben zij bij brief van 31 januari 2006 informatie en loonspecificaties verstrekt over de door hen tijdens de bijstandsperiode verrichte werkzaamheden.

1.3. Bij besluit van 10 mei 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 20 mei 2005 ongegrond verklaard. De grondslag van het primaire besluit is gewijzigd en luidt na bezwaar dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat als gevolg van de ontbrekende informatie het recht op bijstand vanaf de datum van toekenning van de uitkering niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 mei 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij stellen onder meer dat aan de besluitvorming door het College geen zorgvuldig onderzoek is voorafgegaan en dat de bij dat besluit betrokken belangen niet zorgvuldig zijn afgewogen, terwijl de voor hen nadelige gevolgen van dat besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen belangen. Volgens appellanten heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat zij aan het College geen toereikende inlichtingen en gegevens hebben verstrekt om het recht op bijstand vast te stellen, nu zij in het aanvullende bezwaarschrift van 31 januari 2006 al een gespecificeerde berekening hebben overgelegd van alle inkomsten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de beoordeling door de bestuursrechter van de in het geding zijnde intrekking van de bijstand van appellanten met ingang van 1 mei 2005 de periode bestrijkt vanaf 1 mei 2005 tot en met 20 mei 2005.

4.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB worden ingetrokken indien belanghebbende de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. Het is in dat geval aan de belanghebbende feiten te stellen en zo nodig te bewijzen dat, indien wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Daarbij dienen ook de door de belanghebbende in de (hoger) beroepsfase alsnog verstrekte gegevens te worden betrokken.

4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de afschriften van twee op naam van appellanten staande bankrekeningen, waarom het College appellanten tijdens de bezwaarprocedure heeft verzocht, van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand van appellanten, te meer daar het gaat om bankrekeningen waarvan het bestaan tot het onder 1.2 genoemde onderzoek bij het College niet bekend was. Aan de hand van deze afschriften had het College de inkomsten en de vermogenspositie van appellanten kunnen vaststellen en kunnen beoordelen of zij vanaf 1 mei 2005 verkeerden in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB.

4.5. Door niet te voldoen aan het verzoek van het College om de bankafschriften in te leveren zijn appellanten tekort geschoten in de voldoening aan de wettelijke inlichtingenverplichting. Appellanten hebben ook tijdens de (hoger) beroepsprocedure bedoelde bankafschriften niet overgelegd. Op grond van de informatie die zij wel hebben verstrekt en de overige gedingstukken is niet vast te stellen of, en zo ja in welke mate zij in de hier te beoordelen periode recht op bijstand hadden. In dit verband wijst de Raad erop dat de door appellanten op 31 januari 2006 verstrekte gegevens betrekking hebben op hun inkomsten in de aan 1 februari 2005 voorafgaande periode.

4.6. Het onder 4.5 gegeven oordeel leidt de Raad tot het oordeel dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB met ingang van 1 mei 2005 over te gaan tot intrekking van de bijstand. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het College bij zijn besluitvorming niet met de vereiste zorgvuldigheid te werk is gegaan. Het College heeft bij de gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand gehandeld in overeenstemming met de ter zake van intrekking gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleidsregel. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van deze beleidsregel had moeten afwijken.

4.7. In het onder 4.6 gegeven oordeel ligt besloten dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

EK