Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6481

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
05-4291 WAO-WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO- en WAZ uitkering. Concentratievermogen. Medische beperkingen. De bva heeft voldoende gemotiveerd aangegeven dag de FML voldoende rekening houdt met de voor appellant geldende beperkingen en waarom de namens appellant ingebrachte (medische) informatie geen aanleiding vormde om deze bij te stellen. Arbeidskundige kant van de schatting: motivering in hoger beroep. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4291 WAO/WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 juni 2005, 04/931 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J.A. Jansen, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.H.R. Bruls, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg, als opvolgend gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.G. Bombeeck. Als namens appellant meegebrachte getuige/deskundige is gehoord J.A.M. Hoevenaars, huisarts van appellant.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Met toestemming van partijen, verleend op respectievelijk 20 oktober 2008 en 24 september 2008, heeft de Raad bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het besluit van 27 februari 2004, hierna: bestreden besluit, in rechte stand kan houden.

1.2. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 juni 2003 tot intrekking van de uitkeringen van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) per 22 juli 2003 omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 15% voor de WAO en minder dan 25% voor de WAZ, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de medische beperkingen van appellant niet zijn onderschat en dat appellant met inachtneming van die beperkingen in staat moet worden geacht de functies te vervullen die op grond van het arbeidskundig onderzoek als voor hem geschikte arbeidsmogelijkheden zijn geselecteerd. Dit resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van 9% voor de WAO en 4% voor de WAZ, zodat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 22 juli 2003 naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft vastgesteld op minder dan 15% voor de WAO en op minder dan 25% voor de WAZ. De rechtbank heeft daarbij laten meewegen dat niet nader is onderbouwd dat appellant door concentratiestoornissen niet in staat zou zijn de hem voorgehouden werkzaamheden te verrichten en dat in de Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst van 7 januari 2003 beperkingen zijn aangenomen in verband met de cognitieve problematiek en dysthymie van appellant.

3.1. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn gebrek aan concentratievermogen. Daartoe is nadere informatie van de klinisch neuropsycholoog in opleiding I. van Halteren-van Tilborg van 1 juni 2004, van de neuroloog U.J. Dijkstra van 13 september 2004, van de arts-assistent neurologie H. Braakman en de neuroloog dr. K. Keizer van 11 oktober 2007 en van de psycholoog dr. S. Valentijn en klinisch psycholoog W. Fonteijn van 30 november 2007 in het geding gebracht.

3.2. Ter zitting heeft de huisarts van appellant een toelichting gegeven op de cognitieve functiestoornissen en visus- en gehoorklachten van appellant als gevolg van een hem in 1993 overkomen ongeval, waaraan appellant hersenletsel overhield, en heeft hij aangegeven dat appellant ernstiger beperkt is en bij het verrichten van de hem voorgehouden functies meer zou moeten verzuimen dan de verzekeringsarts heeft aangenomen.

4. Van de zijde van het Uwv is op de in hoger beroep ingebrachte medische stukken inhoudelijk gereageerd door de bezwaarverzekeringsarts. Voorts heeft het Uwv zowel voor als na de behandeling van de zaak ter zitting van de Raad op verzoek van de Raad vragen beantwoord door middel van rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. Wat betreft de medische beperkingen van appellant stelt de Raad voorop dat de datum in geding 22 juli 2003 is. Hierin ligt besloten dat een mogelijke verslechtering van de gezondheidstoestand van appellant in 2007 in dit geding geen rol kan spelen. De Raad is voorts van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapporten van 29 november 2005, 20 juni 2007, 12 februari 2008 en 25 juni 2008 voldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom de door de verzekeringsarts vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst van 7 januari 2003 voldoende rekening houdt met de voor appellant geldende beperkingen en waarom de namens appellant ingebrachte (medische) informatie geen aanleiding vormde om deze bij te stellen. Daarbij is de bezwaarverzekeringsarts ook ingegaan op de verklaring die de huisarts van appellant ter zitting van de Raad heeft afgelegd.

5.2. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting overweegt de Raad dat in de rapporten van 25 mei 2004, en met name in die van 13 juni 2008 en 25 juli 2008 de bezwaararbeidsdeskundige voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom appellant met zijn beperkingen de aan de schatting ten grondslag gelegde functies kan vervullen. De Raad acht deze motivering overtuigend. In de omstandigheid dat deze motivering eerst in hoger beroep is gegeven, ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen. Nu die motivering aan de daaraan te stellen eisen voldoet, ziet de Raad aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep, op € 16,54 aan reiskosten in beroep, op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, op € 28,84 aan reiskosten in hoger beroep. De door appellant opgegeven verleturen in beroep en in hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking. De kosten daarvan worden door de Raad begroot op € 36,- aan verletkosten in beroep en € 67,50 aan verletkosten in hoger beroep, in totaal € 103,50. De kosten van de door appellant als getuige-deskundige meegebrachte huisarts Hoevenaars worden begroot op

€ 324,92. Daarmee komen de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in totaal op € 1.761,80.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.761,80, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Rijnen.

TM