Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6449

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
07-5166 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst met minnelijke regeling. Weigering vergoeding (verhuis)kosten. De Raad oordeelt dat betrokkene, gelet op de wijze waarop artikel 15 van de overeenkomst aldus uiteindelijk de definitieve tekst heeft gekregen, en mede in verband met de aard en strekking van de overeenkomst, had behoren te begrijpen dat hij geen aanspraak op de verhuiskostenvergoeding zou hebben bij een verhuizing die geen verband houdt met het verwerven van een andere passende betrekking. De Raad concludeert dat ten aanzien van de weigering van het College betrokkene de kostenvergoeding van artikel 16 van de overeenkomst toe te kennen, dat die in rechte geen stand kan houden. In zoverre kan de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5166 AW Q.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Stadskanaal (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 18 juli 2007, 06/1105 en 07/618 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 5 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W.C. van Kleef, verbonden aan Van Kleef & Partners. Betrokkene is verschenen bij zijn gemachtigde mr. P. van Wijngaarden, advocaat te Groningen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is door de gemeenteraad van Stadskanaal met ingang van 1 januari 1997 aangesteld als [naam functie]. Naar aanleiding van sindsdien geconstateerde miscommunicatie in het managementteam heeft de gemeenteraad betrokkene met ingang van 1 juli 1999 ontheven uit zijn functie. Betrokkene is overgeplaatst naar de functie van ambtenaar in algemene dienst.

Dit is gepaard gegaan met een door partijen op 21 juni 1999 gesloten overeenkomst die een minnelijke regeling bevat. In een brief van de gemachtigde van appellant van eveneens 21 juni 1999 (hierna: side letter) is een nadere uitleg van en aanvulling op enkele onderdelen van deze minnelijke regeling gegeven. Deze nadere uitleg maakt integraal onderdeel uit van die regeling. Op grond van die regeling heeft betrokkene zich verbonden zo snel mogelijk uit te zien naar een andere passende betrekking.

Appellant(s rechtsvoorganger) heeft een aantal (al dan niet aan voorwaarden gebonden) financiële verplichtingen op zich genomen jegens betrokkene.

1.2. Nadat betrokkene mededeling had gedaan van zijn verhuizing uit Stadskanaal - welke geen verband hield met het verwerven van een andere betrekking - heeft hij verzocht om (verhuis)kostenvergoedingen als bedoeld in de artikelen 15 en 16 van de overeenkomst. Nadat op deze aanvraag niet positief was beslist - en aan betrokkene inmiddels, bij de eerste gelegenheid daartoe, een zogenoemd FPU-ontslag was verleend - heeft appellant zijn afwijzende standpunt gehandhaafd bij het bestreden besluit van 29 juni 2006.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Zij heeft appellant opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van haar uitspraak. Verder heeft zij bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn uitleg van de overeenkomst, erop neerkomend dat betrokkene pas aanspraak kan maken op de (verhuis)kostenvergoedingen als bedoeld in de artikelen 15 en 16 van de overeenkomst wanneer sprake is van een verhuizing in verband met het verwerven van een andere betrekking.

3. Naar aanleiding van de standpunten van partijen - waarbij de Raad erop wijst dat in hoger beroep niet in geding is de bij de aangevallen uitspraak gegeven beslissing betreffende het primaire besluit van 19 januari 2005 - overweegt de Raad als volgt.

3.1. De artikelen 15 en 16 van de overeenkomst luiden als volgt.

Artikel 15.

Indien betrokkene voor het aanvaarden van een andere passende betrekking of het verhogen van de kans daarop moet verhuizen of om hem moverende redenen verkiest te verhuizen zal hem een tegemoetkoming worden verleend in de daarmee verband houdende verhuiskosten. (…)

Op deze vergoeding zal in mindering worden gebracht hetgeen betrokkene van zijn eventuele nieuwe werkgever aan tegemoetkoming voor dezelfde verhuizing ontvangt. Het is betrokkene in dit verband niet toegestaan vrijwillig afstand te doen van een dergelijke tegemoetkoming door diens nieuwe werkgever.

Indien betrokkene reeds voor het verwerven van een andere betrekking is verhuisd is het voorgaande met betrekking tot een vergoeding door de nieuwe werkgever niet van toepassing.

De gemeente verleent maar één keer een verhuiskostenvergoeding als hiervoor bedoeld, ongeacht het aantal malen dat betrokkene nadien nog zal verhuizen.

Artikel 16.

1. In het geval betrokkene verhuist en daartoe zijn huidige woonhuis verkoopt, zal hem een tegemoetkoming worden verleend in de verwervings- en zogenaamde desinvesteringskosten daarvan. De omvang van deze kosten is door partijen forfaitair bepaald op een geldbedrag ter grootte van f 201.500,--. (……)

2. Uitbetaling van de tegemoetkoming zal pas geschieden bij daadwerkelijke verhuizing van betrokkene op uiterlijk de datum daarvan. (…)

3.2. De rechtbank heeft aangesloten bij de haars inziens duidelijke bewoordingen in de zinsnede in artikel 15 van de overeenkomst “of om hem moverende redenen”. Die betekenen volgens de rechtbank, mede gezien het tweevoudig gebruik van het woord “of”, dat er aanspraak is op vergoeding in geval van elk van de drie genoemde redenen voor verhuizing, los van de vraag of ook één van de andere redenen zich voordoet. Omdat die zinsnede niet was opgenomen in de twee conceptversies en partijen dus uitdrukkelijk deze zinsnede hebben opgenomen, vat de rechtbank die zinsnede letterlijk op en volgt zij appellant niet dat de bedoelingen van partijen anders waren.

3.3. Bij de uitleg van een overeenkomst als hier aan de orde, in het bijzonder wanneer niet gezegd kan worden dat de tekst van een bepaling daarvan in redelijkheid niet voor meer dan één uitleg vatbaar is, komt het niet uitsluitend aan op de bewoordingen van hetgeen in de overeenkomst is bepaald, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

3.3.1. Artikel 15.

3.3.1.1. Omdat artikel 15 van de overeenkomst niet voor één uitleg vatbaar is, had de rechtbank niet mogen volstaan met een zuiver taalkundige uitleg. Zij had moeten onderzoeken of betrokkene, mede in verband met de aard en strekking van de overeenkomst, had behoren te begrijpen dat hij geen aanspraak op de verhuiskostenvergoeding zou hebben bij een verhuizing die geen verband houdt met het verwerven van een andere passende betrekking.

3.3.1.2. De Raad volgt appellant in zijn (ter zitting gehouden) betoog dat de tekst van artikel 15 van de overeenkomst niet op drie situaties ziet, maar op twee en dat in beide gevallen sprake is van een relatie met het aanvaarden van een andere betrekking of met het verhogen van de kans daarop. Appellant heeft er naar het oordeel van de Raad terecht op gewezen dat het accent in de tekst niet ligt op het tweemaal gebruik van het woord “of”, maar op het onderscheid tussen het moeten verhuizen en het verkiezen daarvan. Aanspraak bestaat dan als betrokkene in verband met het verwerven van een betrekking gedwongen is te verhuizen, of in verband met het verwerven van een andere betrekking die verhuizing zelf verkiest.

Het toekennen van een zelfstandige betekenis aan de toegevoegde zinsnede “om hem moverende redenen” is bepaald niet logisch als de - in betrokkenes ogen - twee andere situaties in stand worden gelaten. Als partijen dat hadden beoogd, had volstaan kunnen worden met een eenvoudige tekst als: Bij verhuizing heeft betrokkene aanspraak op verhuiskostenvergoeding.

3.3.1.3. Appellant heeft verklaard dat de toegevoegde zinsnede door zijn toedoen is opgenomen nadat door partijen over en weer gesproken was over de wenselijkheid - juist voor betrokkene - om de aanspraak niet te beperken tot de situatie waarvan in de concept-overeenkomsten sprake was, namelijk die van de gedwongen verhuizing. Dat betoog is, zo merkt de Raad op, slechts juist voor zover het een vergelijking betreft met de oorspronkelijk door betrokkene voorgestelde overeenkomst. Deze sprak slechts over verhuizen in verband met het aanvaarden van een andere betrekking of het verhogen van de kans daarop.

In een daarop gevolgde versie van de kant van appellant is de variant opgenomen van het verkiezen te verhuizen, maar nog zonder de toevoeging “om hem moverende redenen”.

Hoewel die toevoeging verwarring kan wekken, moet worden vastgesteld dat zij juist door appellant is aangebracht en dat niets erop duidt dat afstand is genomen van de bedoeling van de minnelijke regeling. Deze was, dat betrokkene zo spoedig mogelijk een andere betrekking zou verwerven. De overeenkomst staat ook nagenoeg geheel in de sleutel van het streven daarnaar, en het ligt dan ook voor de hand ook de bepaling van artikel 15 in dat kader te duiden.

Appellant heeft er naar het oordeel van de Raad op goede gronden verder de aandacht op gevestigd dat in de aanbieding van de overeenkomst aan de gemeenteraad is gezegd: “Mocht het voor het verwerven van een andere betrekking dienstig zijn te verhuizen uit Stadskanaal, dan zal betrokkene eenmalig een verhuiskostenvergoeding worden toegekend.”

3.3.1.4. Naar het oordeel van de Raad had betrokkene, gelet op de wijze waarop artikel 15 van de overeenkomst aldus uiteindelijk de definitieve tekst heeft gekregen, en mede in verband met de aard en strekking van de overeenkomst, behoren te begrijpen dat hij geen aanspraak op de verhuiskostenvergoeding zou hebben bij een verhuizing die geen verband houdt met het verwerven van een andere passende betrekking.

De Raad komt daarom tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - in zoverre niet in stand kan blijven.

3.3.2. Artikel 16.

3.3.2.1. Met betrekking tot artikel 16 van de overeenkomst overweegt de Raad dat hij de tekst daarvan op zichzelf duidelijk acht: bij verhuizing en verkoop daartoe van zijn woning heeft betrokkene aanspraak op een forfaitair bedrag dat verband houdt met kosten die gemaakt zijn bij het betrekken van dat huis. De Raad acht ook goed voorstelbaar dat betrokkene dit heeft beoogd. Hij werd niet alleen geconfronteerd met een heel snel einde van zijn loopbaan als [naam functie], maar hij had ook kosten gemaakt bij zijn komst naar Stadskanaal en stond na heel korte tijd voor het verlies van (een deel van) die kosten. Verhuizing uit Stadskanaal was ook zonder het verwerven van een betrekking, voor de hand liggend. Appellant heeft dit beaamd.

Dat appellant de vergoedingsplicht van artikel 16 van de overeenkomst enkel heeft willen koppelen aan een verhuizing die verband zou houden met het verwerven van een andere betrekking, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Dat hij hier een bijna onvoorwaardelijke kostenvergoeding ten gunste van betrokkene op zich heeft genomen, is niet onbegrijpelijk in het licht van het belang van appellant bij een minnelijke regeling. Zoals de considerans het zegt, werd beoogd verdere wederzijdse irritaties te vermijden en te komen tot een beide partijen passende oplossing van de problematiek.

3.3.2.2. De Raad komt daarom ten aanzien van de weigering van appellant betrokkene de kostenvergoeding van artikel 16 van de overeenkomst toe te kennen, tot de conclusie dat die in rechte geen stand kan houden. In zoverre kan de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, in stand blijven.

4. Appellant heeft er terecht op gewezen dat in de aangevallen uitspraak is verzuimd het bestreden besluit te vernietigen. Verder is sprake van een uitspraak die slechts ten dele is aangevochten. Omdat de Raad bovendien de rechtbank ten aanzien van de uitleg van artikel 15 van de overeenkomst niet volgt en ten aanzien van de uitleg van artikel 16 van de overeenkomst, zij het op andere gronden, wel, geeft hij er, mede uit een oogpunt van duidelijkheid, de voorkeur aan de uitspraak in haar geheel te vernietigen.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,- wegens kosten van juridische bijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen geregistreerd onder de nummers AWB 06/1105 en AWB 07/618 gegrond;

Verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit van 19 januari 2005 niet-ontvankelijk;

Vernietigt het bestreden besluit van 29 juni 2006 voor zover daarbij is geweigerd toepassing te geven aan artikel 16 van de overeenkomst;

Draagt appellant op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen waarbij toepassing wordt gegeven aan artikel 16 van de overeenkomst;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en tot een bedrag van € 644,- in hoger beroep, te betalen door de gemeente Stadskanaal;

Bepaalt dat de gemeente Stadskanaal aan betrokkene het door hem in eerste aanleg betaalde griffierecht van € 141,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD