Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6431

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
07-6999 AOW + 07-7000 ANW + 08-289 AOW + 08-290 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering ingevolge de Anw en AOW verleende pensioenen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellante en betrokkenen tijdens de gehele hier in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6999 AOW

07/7000 ANW

08/289 AOW

08/290 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 november 2007, 05/5995 en 05/5999 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 3 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Ch.W.A. van Dam, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2009. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Dam. De Svb heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. Als getuigen zijn gehoord [getuige 1] en [getuige 2]. De zaken zijn gevoegd behandeld met de zaken 07/1737 AOW en 07/7138 AOW. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sedert 1 november 1980 een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). Per 1 juli 1996 is het AWW-pensioen van appellante omgezet in een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Met ingang van 1 oktober 2001 is de nabestaandenuitkering van appellante geëindigd wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd en is haar een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend voor een ongehuwde.

1.2. In 2005 heeft de Svb naar aanleiding van een tip een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante ingevolge de Anw en AOW verleende pensioenen. In dat kader zijn door de sociale recherche - onder meer - gehoord appellante en [B.] (hierna: [B.]) alsmede de naaste buurtbewoners van appellante. Op grond van de onderzoeksbevindingen, zoals neergelegd in het proces-verbaal van 31 augustus 2005 met bijlagen, heeft de Svb bij besluiten van 10 augustus 2005 en 16 augustus 2005 het nabestaandenpensioen van appellante met ingang van 1 januari 1998 gewijzigd in 30% van de Anw-uitkering en het ouderdomspensioen met ingang van 1 oktober 2001 herzien naar een uitkering voor een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert. Aan deze besluiten is ten grondslag gelegd dat appellante sedert 1 juli 1997 een gezamenlijke huishouding voert met [B.].

1.3. Bij afzonderlijke besluiten van 24 november 2005 heeft de Svb de bezwaren tegen de besluiten van 10 en 16 augustus 2005 ongegrond verklaard.

1.4. Bij besluit van 6 januari 2006 heeft de Svb de ten onrechte verleende pensioenen ingevolge de Anw en AOW tot een bedrag van in totaal € 36.494,39 van appellante teruggevorderd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het College met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter behandeling als beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 24 november 2005 en 6 januari 2006 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen (waarbij de Svb als verweerder is aangeduid en appellante als eiseres):

“(…) Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van eiseres en [B.] zoals neergelegd in het procesverbaal van de sociale recherche van 31 augustus 2005 bezien in samenhang met de overige onderzoeksgegevens voldoende grondslag bieden voor het oordeel dat er in de periode in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid van de Anw en artikel 1, vierde lid van de AOW. De rechtbank wijst daarbij op de verklaringen afgelegd op 12 juli 2005, die er ter zake van het hier aan de orde zijnde aspect op neerkomen dat eiseres en [B.] in ieder geval vanaf 1 juli 1996 een gezamenlijke huishouding voeren, dat eiseres de huur van haar woning en de energierekeningen betaalt, dat [B.] de kosten voor de auto betaalt, dat [B.] de boodschappen doet, dat zij samen op vakantie gaan, dat zij samen op bezoek gaan en bezoek ontvangen, dat zij samen kerstkaarten versturen en dat [B.] eiseres verzorgt. De rechtbank kent met name doorslaggevende betekenis toe aan de verklaring van [B.] dat hij vanaf dat hij gestopt is met werken bij eiseres is en dat hij eerder een ander verhaal over de samenwoning verteld heeft omdat hij aan zijn geld moest denken maar dat het klopt dat zij beiden het grootste deel van de tijd bij elkaar waren, alsmede aan de verklaring van eiseres waarin zij verklaart dat zij op de formulieren van de SVB invulde alleen te wonen om haar uitkering niet kwijt te raken en te voorkomen dat eiser zijn huis kwijt zou raken.

Eiseres heeft in dit verband aangevoerd dat hij zich tijdens het verhoor -in tegenstelling tot wat in de verklaring is opgenomen- wel degelijk onder druk gezet gevoeld heeft. Volgens eiseres heeft zij verklaard dat hulpbehoevendheid van haar zijde de reden voor een intensiever contact tussen haar en [B.] was. Daarmee heeft ze echter niet gesteld dat er sprake was van samenwonen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot deze grief dat volgens vaste jurisprudentie in beginsel mag worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde en door betrokkenen ondertekende verklaring en dat aan het intrekken daarvan of het achteraf ontkennen van het verklaarde weinig of geen betekenis wordt toegekend. Verwezen zij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 mei 2005, LJN-nummer: AT 6286. De rechtbank ziet geen aanleiding daarover in dit geval anders te oordelen. Van een ontoelaatbare druk op grond waarvan eiseres en [B.] niet aan de afgelegde verklaringen mogen worden gehouden, is de rechtbank niet gebleken. Daarbij tekent de rechtbank nog aan dat eiseres en [B.] hun verklaringen zonder enig voorbehoud hebben getekend en dat over de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden door beiden geen klacht is ingediend. Van een latere wijziging of aanvulling van het betreffende procesverbaal is de rechtbank evenmin gebleken. (…)”.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad verwijst voor de in dit geding van toepassing zijnde bepalingen allereerst naar de aangevallen uitspraak.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellante en [B.] tijdens de gehele hier in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De Raad voegt daaraan nog toe dat de verklaringen van appellante en [B.], die in essentie met elkaar overeenstemmen, duidelijk steun vinden in de verklaringen van naaste buurtbewoners van appellante. Dat het ambtsedig opgemaakte en door appellante ondertekende proces-verbaal op enige ondergeschikte punten onjuistheden zou bevatten kan hier niet aan afdoen. De stelling dat appellante vanwege haar lichamelijke gesteldheid, als gevolg van een drie maanden tevoren ondergane operatie, niet in staat zou zijn geweest juist te verklaren over haar dagelijkse woon- en leefsituatie is op geen enkele wijze met objectieve (medische) gegevens onderbouwd. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad voorts dat de aanvankelijk ten onrechte aan mevrouw [W.] (in plaats van aan mevrouw [K.]) toegeschreven verklaring niet maakt dat niet mag worden uitgegaan van de juistheid van de overige ten overstaan van de sociale recherche afgelegde en op ambtseed opgemaakte verklaringen. Tot slot ziet de Raad, anders dan appellante, in het gegeven dat appellante tijdens haar verhoor tussentijds is geconfronteerd met hetgeen [B.] (die tegelijkertijd door de sociale recherche in een andere ruimte werd verhoord) tot dan toe had verklaard geen grond om haar verklaring buiten beschouwing te laten. Dat de door [B.] afgelegde verklaring op dat moment nog niet aan hem was voorgelezen noch door hem was doorgelezen of ondertekend doet daaraan niet af.

4.3. Anders dan appellante ziet de Raad geen grond een splitsing aan te brengen in de periode voordat zij in april 2005 een operatie heeft ondergaan en in de periode daarna. De gedingstukken en het verhandelde ter zitting, waaronder het afgenomen getuigenverhoor, bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. De Raad merkt daarbij nog op dat, naar vaste rechtspraak van de Raad, de enkele omstandigheid dat de betrokkenen een afzonderlijke woning aanhouden niet aan het voorzien in gezamenlijke huisvesting dan wel het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg staan. Dat appellante de situatie waarin zij verkeerde niet als samenwoning beschouwde leidt evenmin tot een andere conclusie, aangezien in zaken als deze voor het antwoord op de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding doorslaggevend is of is voldaan aan de in artikel 3, derde lid, van de Anw en artikel 1, vierde lid, van de AOW vermelde voorwaarden (kort gezegd: gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg). De aard van de relatie en de (subjectieve) beleving van de concrete woon- en leefsituatie zijn, eveneens naar vaste rechtspraak van de Raad, in dat kader niet van belang.

4.4. Door van de gevoerde gezamenlijke huishouding geen melding te maken bij de Svb heeft appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden met als gevolg dat onverschuldigd nabestaandenuitkering en teveel AOW-pensioen aan appellante is betaald. De Svb heeft dan ook terecht de Anw-uitkering met ingang van

1 januari 1998 verlaagd tot 30% van het wettelijk minimumloon. Voorts was de Svb, gelet hierop, gehouden de AOW-uitkering van appellante met ingang van 1 oktober 2001 te herzien naar het pensioen voor een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat tevens is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 53, eerste lid, van de Anw en artikel 24, eerste lid, van de AOW, zodat de Svb tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde Anw-uitkering en de teveel betaalde AOW-uitkering diende over te gaan. In hetgeen van de zijde van appellante naar voren is gebracht ziet de Raad geen dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van verlaging, herziening of terugvordering kan worden afgezien.

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

4.7. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en R.H.M. Roelofs en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2009.

(get.) R.M. van Male.

(get.) B.E. Giesen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ