Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6430

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
07-845 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken van toegekende salarisverhoging (bovenschalige periodiek).Geen sprake is van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/845 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 februari 2007, 05/4984 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 5 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F. Scheffer en C.G.J. Ruysestein, beiden werkzaam bij het ministerie van Financiën. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M. Koolhoven, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als deurwaarder bij de Belastingdienst, eenheid Utrecht-Gooi. Aan deze functie is de salarisschaal 8 verbonden.

Met ingang van 1 mei 1998 is hem, naar valt aan te nemen met toepassing van artikel 8, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA), een salarisverhoging in de vorm van twee zogeheten periodieken boven het door hem bereikte maximumsalaris van genoemde salarisschaal toegekend wegens het verrichten van coördinerende werkzaamheden.

Bij besluit van 3 november 1999 is het salaris van betrokkene op grond van zijn functioneren ingaande 1 december 1999 opnieuw met toepassing van artikel 8, eerste lid, van het BBRA met een periodiek verhoogd.

1.2. Bij besluit van 20 januari 2005 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat hij op grond van artikel 8, derde lid, van het BBRA niet langer in aanmerking komt voor de hem bij besluit van 3 november 1999 toegekende salarisverhoging (bovenschalige periodiek). Deze verhoging is daarom met ingang van 1 februari 2005 ingetrokken. Bij besluit van 20 oktober 2005 heeft appellant dit intrekkingsbesluit na door betrokkene daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd, behoudens dat een afbouwregeling is getroffen die zich uitstrekt over de maanden februari tot en met september 2005.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 20 oktober 2005 gegrond verklaard en dit besluit alsook het besluit van 20 januari 2005 vernietigd, met bijkomende bepalingen over vergoeding van wettelijke rente, proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het toenmalig hoofd van de eenheid H bij de toekenning van de bovenschalige periodiek aan betrokkene per 1 december 1999 (in zekere zin) de toezegging heeft gedaan dat geen gebruik zou worden gemaakt van de bevoegdheid van artikel 8, derde lid, van het BBRA om deze periodiek in te trekken. Volgens de rechtbank was appellant in beginsel bevoegd om van deze - bevoegd gedane - toezegging terug te komen. Naar het oordeel van de rechtbank kon appellant echter alleen dan nog tot intrekking overgaan als het onmisken-bare belang van betrokkene bij voortzetting van de periodiek zou moeten wijken voor een groter belang bij intrekking aan de zijde van appellant. Dit laatste belang is evenwel (vrij) beperkt, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door ook het primaire besluit ongedaan te maken. Kennelijk was de rechtbank van oordeel dat de intrekking onrechtmatig was.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het voormalig hoofd van de eenheid H, voormeld, heeft een door hem ondertekende schriftelijke verklaring, gedateerd 13 december 2004, afgegeven waarin is neergelegd dat hij betrokkene heeft te kennen gegeven dat de hem per 1 december 1999 toegekende bovenschalige periodiek ondanks de tekst van artikel 8, derde lid, van het BBRA een structureel karakter heeft, waarna hij vervolgt met: “Tot voorkort kende ik namelijk geen enkele situatie, waarin een extra periodiek boven het maximum, die anders dan tijdelijk was toegekend, werd ingetrokken. Navraag bij collega’s leverde hetzelfde resultaat op.”

3.2. De rechtbank heeft op grond van deze verklaring geconcludeerd dat aan betrokkene vanwege appellant een toezegging is gedaan als onder 2 vermeld. Appellant kan zich hiermee niet verenigen.

De Raad overweegt hieromtrent dat H in zijn verklaring aangeeft dat hij betrokkene erop heeft gewezen dat het structurele karakter dat hij aan de bovenschalige periodiek heeft willen verbinden, niet in overeenstemming is met artikel 8, derde lid, van het BBRA. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat betrokkene ervan op de hoogte was dat het structureel maken van de periodiek zich niet verdroeg met het wettelijk voorschrift vervat in meergenoemde bepaling. Gelet hierop kon en mocht betrokkene er niet op vertrouwen dat de periodiek steeds ongewijzigd zou worden gehandhaafd. Hij diende er rekening mee te houden dat bijvoorbeeld in geval een ander hoofd van de eenheid zou aantreden de wettelijke bepaling weer zou worden nageleefd. Dit betekent dat in dit geval geen sprake is van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging welke volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 7 maart 2007, LJN BA1791 en TAR 2007, 141) nodig is, wil een beroep op het vertrouwensbeginsel in rechte kunnen worden gehonoreerd.

3.3. De Raad overweegt verder dat in artikel 8, derde lid, van het BBRA is bepaald dat het bevoegd gezag de toekenning van de salarisverhoging, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk kan intrekken indien het functioneren van de ambtenaar niet langer als uitstekend kan worden gekwalificeerd. Ingevolge het vierde lid van dit artikel komt het oordeel van het bevoegd gezag over het functioneren van de ambtenaar tot stand op basis van een nader omschreven gesprek dan wel een vastgestelde beoordeling.

3.4. Op 13 januari 2005 is ten aanzien van betrokkene een beoordeling vastgesteld over de periode 1 december 2003 tot 1 oktober 2004. Het functioneren van betrokkene is daarin op drie onderdelen als zeer goed en op twee onderdelen als goed beoordeeld. In de beoordeling is ook opgenomen dat er in de beoordelingsperiode geen sprake is geweest van uitstekend functioneren in de zin van artikel 8 van het BBRA. De Raad heeft uit de gedingstukken niet kunnen opmaken dat de beoordelaar, zoals betrokkene heeft gesteld, wegens een minder goede verstandhouding met betrokkene niet in staat was een juiste beoordeling te geven. Gezien deze beoordeling acht de Raad geen grond aanwezig voor het oordeel dat het functioneren van betrokkene in de hier relevante periode als uitstekend was te kwalificeren. Overigens is het bezwaar dat betrokkene had gemaakt tegen deze beoordeling bij besluit van 14 december 2005 ongegrond verklaard. Betrokkene heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

3.5. Het voorgaande brengt mee dat appellant op grond van artikel 8, derde lid, van het BBRA bevoegd was de aan betrokkene toegekende salarisverhoging in te trekken. Betrokkene heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die het oordeel kunnen recht-vaardigen dat appellant bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot de intrekking van de salarisverhoging, zoals bij besluit van 20 oktober 2005 gehandhaafd, heeft kunnen komen. De verklaring van H is in dit verband niet of nauwelijks van betekenis.

3.6. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD

13.02