Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6425

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
08-337 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bovenschalige periodiek met afbouwregeling. Appellants extra taken liggen in het verlengde van en op hetzelfde niveau als de reguliere deurwaarderswerkzaamheden. De omvang van de totale taken is ook niet groter dan die van de reguliere deurwaarder omdat hij met name door verkleining van zijn rayon compensatie heeft gekregen voor de coördinatiewerkzaamheden. Aspect van de toezeggingen valt buiten omvang geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/337 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 december 2007, 07/456 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 5 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. F.F. van Norel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F. Scheffer en [R.], beiden werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam als deurwaarder bij de Belastingdienst, eenheid [naam eenheid]. Aan deze functie is de salarisschaal 8 verbonden.

Bij besluit van 3 november 1999 is het salaris van appellant met toepassing van artikel 8, eerste lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA) op grond van zijn functioneren verhoogd met één zogeheten periodiek boven het door hem bereikte maximumsalaris van genoemde salarisschaal.

1.2. Bij besluit van 20 januari 2005 heeft de staatssecretaris appellant meegedeeld dat hij op grond van artikel 8, derde lid, van het BBRA niet langer in aanmerking komt voor de hem bij besluit van 3 november 1999 toegekende salarisverhoging (bovenschalige periodiek). Deze verhoging is daarom met ingang van 1 februari 2005 ingetrokken. Bij besluit van 21 oktober 2005 heeft de staatssecretaris dit intrekkingsbesluit na door appellant daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd, behoudens dat een afbouwregeling is getroffen die zich uitstrekt over de maanden februari tot en met september 2005.

1.3. Bij uitspraak van 10 november 2006 heeft de rechtbank Utrecht het beroep van appellant tegen het besluit van 21 oktober 2005 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, dit met bijkomende bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. In deze uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat de bovenschalige periodiek geen structurele toekenning betreft en dat de staatssecretaris bevoegd is periodiek te toetsen of de ambtenaar uitstekend functioneert als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het BBRA. De rechtbank is de staatssecretaris voorts gevolgd in zijn standpunt dat de personeelsbeoordeling niet alles bepalend is voor het oordeel omtrent het functioneren, maar dat ook sprake dient te zijn van een extra bijzondere prestatie die niet in de formele beoordeling tot uitdrukking komt. Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant een lijst heeft overgelegd van extra taken die naar het oordeel van de rechtbank mogelijk gekwalificeerd kunnen worden als extra bijzondere prestatie in even bedoelde zin. De staatssecretaris is in het primaire besluit niet en in het besluit van 21 oktober 2005 slechts summier ingegaan op de door appellant opgesomde extra taken en heeft daar ook geen onderzoek naar ingesteld. Dit bracht de rechtbank tot de conclusie dat laatstgenoemd besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.

1.4. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij het thans bestreden besluit van 12 januari 2007 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarvan het resultaat overeenkomt met dat van het besluit van 21 oktober 2005.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 12 januari 2007 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. In het thans bestreden besluit is de staatssecretaris ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 10 november 2006 terecht (min of meer) uitvoerig ingegaan op de door appellant eerder overgelegde lijst van extra taken. De staatssecretaris komt tot de conclusie dat het bij deze taken gaat om coördinerende taken waarmee appellant ongeveer 20% van zijn werktijd bezig is. De eindverantwoordelijkheid voor deze taken ligt niet bij appellant maar bij zijn leidinggevende. Deze taken liggen in het verlengde van en op hetzelfde niveau als de reguliere deurwaarderswerkzaamheden. De omvang van de totale taken (werklast) van appellant is ook niet groter dan die van de reguliere deurwaarder omdat hij met name door verkleining van zijn rayon compensatie heeft gekregen voor de coördinatiewerkzaamheden. Deze werkzaamheden zijn volgens de staatssecretaris dan ook niet functieverzwarend en in ieder geval niet zodanig dat appellant een bovenschalige periodiek toekomt als bedoeld in artikel 8 van het BBRA.

3.2. Appellant heeft niets aangevoerd wat bij de Raad twijfel kan wekken aan de juistheid van de uiteenzetting van de staatssecretaris over de betekenis van de door appellant overgelegde lijst met extra taken. In hoger beroep heeft appellant zich ook in hoofdzaak beroepen op een toezegging die hem zou zijn gedaan, inhoudende dat de hem toegekende bovenschalige periodiek een structureel karakter had; hiertoe heeft hij gewezen op een verklaring van 13 december 2004 van het voormalige hoofd van de eenheid [naam eenheid].

3.3. De Raad is niet gebleken dat appellant in zijn beroep tegen het besluit van 21 oktober 2005 melding heeft gemaakt van de door hem gestelde toezegging. De rechtbank is er in haar uitspraak van 10 november 2006 kennelijk van uitgegaan dat die toezegging niet (meer) in geding was gelet op hetgeen zij over de intrekkingsbevoegdheid van de staatssecretaris heeft overwogen, als hiervoor onder 1.3 weergegeven. Als appellant het hiermee niet eens was geweest, had het op zijn weg gelegen tegen die uitspraak hoger beroep in te stellen, hetgeen hij niet heeft gedaan. De Raad moet hier dus verder aan voorbij gaan.

3.4. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD2