Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6421

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
06-1430 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Benoemde deskundige: aanpassingsstoornis gebaseerd op een dieper gelegen persoonlijkheidsstoornis. Appellant lijdt aan een (ziels)gebrek. De Raad gaat ervan uit dat appellant zijn werkzaamheden niet kan uitoefenen in een (voldoende) beschermde omgeving als door een deskundige bedoeld. Hieruit vloeit voort dat het standpunt dat de ongeschiktheid of onbekwaamheid van appellant voor zijn functie niet haar grond vindt in ziels- of lichaamsgebreken, onhoudbaar moet worden geacht. Appellant is gedurende twee jaar (na 1 januari 2005) wegens ziekte ongeschikt geweest voor het vervullen van zijn arbeid en dat herstel niet binnen een periode van zes maanden (na 1 januari 2007) was te verwachten. De Raad voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1430 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 januari 2006, 05/2321 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: minister)

Datum uitspraak: 5 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Een eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2008. Appellant is daar verschenen, bijgestaan door mr. I.M.A. Bruls-van Strien, advocaat te Nijmegen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Noort, verbonden aan Vijverberg Juristen.

Na de zitting heeft de Raad het onderzoek heropend.

Op verzoek van de Raad heeft de zenuwarts C.J.F. Kemperman als deskundige een onderzoek verricht en daarover een rapport uitgebracht.

Een volgend onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2009. Namens appellant is zijn bovengenoemde raadsvrouw als gemachtigde verschenen en de minister heeft zich opnieuw laten vertegenwoordigen door mr. Noort.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant, geboren op 11 juli 1947, is vanaf 1971 medewerker bij verschillende diensten van het ministerie van Verkeer en Waterstaat geweest, laatstelijk bij het Rijksinstituut voor Kust en Zee (hierna: RIKZ). Hij is steeds bezoldigd gebleven in schaal 3. Nadat hem in 2002 tevergeefs een psychologisch onderzoek was aangeboden met het oog op het vinden van een passende functie, is hij geplaatst in de functie van algemeen medewerker bij de afdeling Facility Management. De gedachte was dat hij daar met het verrichten van werkzaamheden een zinvolle bijdrage kon leveren aan de RIKZ-organisatie.

1.2. Toen gebleken was dat appellant niet aan de minimale eisen in die functie kon voldoen, is hem met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 1 januari 2005 eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor die functie, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Na bezwaar is dat ontslag gehandhaafd bij besluit van 20 mei 2005 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de gedingstukken geen aanleiding geven voor het oordeel dat aan de onbekwaamheid of ongeschiktheid een medische oorzaak ten grondslag ligt. Zij heeft het bestreden besluit in stand gelaten.

3. Naar aanleiding van de in hoger beroep (opnieuw) door appellant betrokken stelling dat op grond van de medische bevindingen niet de conclusie getrokken mocht worden dat sprake was van ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, heeft de Raad de onder I vermelde deskundige ingeschakeld. De Raad heeft daartoe besloten omdat hij op basis van het verhandelde op de eerste zitting en op basis van aanwijzingen in het dossier gerede twijfel had aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank en het standpunt van de minister. Deze laatste had wel medisch onderzoek laten verrichten, maar heeft uit de mededeling van de bedrijfsarts H dat er (al langer) sprake was van beper-kingen op mentaal gebied, niet de gevolgtrekking gemaakt dat de onbekwaamheid of ongeschiktheid van appellant voor zijn functie wel haar grond vond in ziels- of lichaamsgebreken.

4. Naar aanleiding van de standpunten van partijen, deels aangepast nadat ook zij kennis hebben genomen van het rapport van de deskundige Kemperman, overweegt de Raad als volgt.

4.1. De deskundige is, kort gezegd, van oordeel dat bij appellant sprake is van een aanpassingsstoornis gebaseerd op een dieper gelegen persoonlijkheidsstoornis. Appellant lijdt aan een (ziels)gebrek. Het rapport bevat enkele beschrijvingen waaruit de ernst van dat gebrek kan worden opgemaakt. Appellant wordt weliswaar medisch in staat geacht tot enige arbeid, maar dan slechts in een beschermde omgeving. De deskundige heeft gerapporteerd dat van dat gebrek sprake moet zijn geweest op de datum van ontslag en dat in de nabije toekomst, bij gelijkblijvende omstandigheden, een status quo te verwachten is.

4.2. De Raad ziet geen aanleiding de bevindingen en conclusies van de deskundige niet te volgen. De Raad gaat ervan uit dat appellant zijn werkzaamheden niet kan uitoefenen in een (voldoende) beschermde omgeving als door een deskundige bedoeld. Hieruit vloeit voort dat het standpunt dat de ongeschiktheid of onbekwaamheid van appellant voor zijn functie niet haar grond vindt in ziels- of lichaamsgebreken, onhoudbaar moet worden geacht. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten daarom worden vernietigd.

4.3. Gelet op het rapport van de deskundige moet worden vastgesteld dat appellant gedurende twee jaar (na 1 januari 2005) wegens ziekte ongeschikt is geweest voor het vervullen van zijn arbeid en dat herstel niet binnen een periode van zes maanden (na 1 januari 2007) was te verwachten. Dat geeft de minister de bevoegdheid appellant met ingang van de laatstgenoemde datum ontslag te verlenen op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van het ARAR, in verbinding met het derde lid van dat artikel.

In beginsel kan de minister niet tot een dergelijk ontslag overgaan indien niet een zorgvuldig herplaatsingsonderzoek heeft plaatsgevonden. Volgens zijn vaste rechtspraak (CRvB 1 juni 2006, LJN AX8836, TAR 2006, 170) is de Raad met betrekking tot een bepaling als artikel 98, derde lid, van het ARAR van oordeel dat van het uitvoeren van een herplaatsingsonderzoek (slechts) kan worden afgezien als het verrichten van arbeid wegens de gezondheid van een betrokkene als louter hypothetisch moet worden beschouwd. Daarvan kan in dit geval, naar het oordeel van de Raad, worden gesproken. De Raad kan de minister volgen dat een kennelijk noodzakelijk beschermde werkom-geving niet voorhanden is; van de kant van de minister is naar voren gebracht dat bij appellant zelfs een één op één begeleiding niet tot succes heeft geleid.

4.4. Mede gelet op het streven een geschil zo mogelijk definitief te beslechten, ziet de Raad aanleiding hier met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf te voorzien door in deze uitspraak te bepalen dat aan appellant met ingang van 1 januari 2007 eervol ontslag wordt verleend op grond van ongeschiktheid voor zijn arbeid wegens ziekte.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding om de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op€ 3,90 aan reiskosten en € 644,- aan kosten van juridische bijstand in eerste aanleg en op € 805,- aan kosten van juridische bijstand in hoger beroep, in totaal dus € 1.452,90.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Verleent appellant met ingang van 1 januari 2007 eervol ontslag op grond van ongeschiktheid voor zijn arbeid wegens ziekte en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.452,90, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 345,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD

Q