Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6405

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
07-4585 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Goede procesorde.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/125
ABkort 2009/136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4585 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 3 juli 2007, 06/2699 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2009. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.D. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellant is met ingang van 8 januari 2002 bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de naar de norm voor een alleenstaande. Het vermogen van appellant bij de aanvang van de bijstandsverlening is daarbij vastgesteld op € 1.585,70. Met ingang van 1 januari 2004 werd de bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) verleend.

1.2. Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst dat appellant in 2003 over twee bankrekeningen beschikte die niet bekend waren bij het College is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 1 maart 2006.

1.3.1. De resultaten van het onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 13 maart 2006 de bijstand van appellant over de periodes van 1 januari 2003 tot en met 31 juli 2003 en van 27 januari 2004 tot en met 31 december 2005 te herzien en de kosten van de over die periodes verleende bijstand tot een bedrag van € 8.461,95 van appellant terug te vorderen. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant, zonder daarvan aan het College melding te hebben gemaakt, over de betreffende periodes inkomsten heeft genoten.

1.3.2. Bij het besluit van 13 maart 2006 heeft het College voorts de bijstand over de periode van 8 januari 2002 tot en met 18 maart 2002 ingetrokken en de kosten van de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 1.693,09 van appellant teruggevorderd op de grond dat hij, zonder daarvan aan het College melding te hebben gemaakt, in verband met de mogelijkheid van afkoop van een levensverzekering redelijkerwijs kon beschikken over een vermogen dat de grens van het op hem van toepassing zijnde vrij te laten vermogen overschreed.

1.3.3. Bij het besluit van 13 maart 2006 heeft het College ten slotte de bijstand van appellant over de periode van 22 augustus 2003 tot en met 26 januari 2004 ingetrokken en de kosten van de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 3.877,38 van appellant teruggevorderd. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant, zonder daarvan aan het College melding te hebben gemaakt, in verband met het bezit van een auto, waarvan de waarde hoger was dan het algemeen gebruikelijk geachte bedrag van € 6.500,--, beschikte over een vermogen dat de grens van het op hem van toepassing zijnde vrij te laten vermogen overschreed.

1.4. Bij besluit van 26 oktober 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 maart 2006 ongegrond verklaard.

1.5. Namens appellant is tegen het besluit van 26 oktober 2006 beroep ingesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 oktober 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De omvang van het geding.

4.1.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - voor zover hier van belang - kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Deze bepaling moet, gezien de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 421, nr. 3, blz. 5 e.v., en nr. 11), aldus worden uitgelegd dat een belanghebbende slechts beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waartegen hij bezwaar heeft gemaakt, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten tegen een onderdeel geen bezwaar te hebben gemaakt. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is dit artikel van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep wordt ingesteld. Dit betekent dat een belanghebbende slechts hoger beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waartegen hij beroep heeft ingesteld, tenzij hem niet redelijkerwijs kan worden verweten tegen een onderdeel geen beroep te hebben ingesteld.

4.1.2. De Raad merkt eerst op dat het primaire besluit van 13 maart 2006 drie te onderscheiden, onder respectievelijk 1.3.1, 1.3.2 en 1.3.3 weergegeven deelbesluiten bevat, die alle drie zelfstandig voorwerp van bezwaar, beroep en hoger beroep kunnen zijn. Bij het besluit op bezwaar van 26 oktober 2006 heeft het College deze deelbesluiten gehandhaafd. Appellant heeft in zijn beroepschrift aangegeven dat de intrekking en terugvordering in verband met de mogelijkheid van afkoop van zijn levensverzekering terecht is. Daarnaast heeft hij tegen de handhaving van twee van de drie deelbesluiten beroepsgronden geformuleerd. Hij heeft geen (aanvullend) beroepschrift ingediend tegen de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van 8 januari 2002 tot en met 18 maart 2002 in verband met de mogelijkheid van afkoop van zijn levensverzekering. De Raad stelt daarom vast dat ten aanzien van de intrekking en de terugvordering van bijstand over die periode geen beroep is ingesteld. De omstandigheid dat appellant ter zitting van de rechtbank alsnog daartegen is opgekomen maakt dat niet anders. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het in strijd is met de goede procesorde dat appellant eerst ter zitting de omvang van het beroep uitbreidt.

4.1.3. Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die meebrengen dat het redelijkerwijs niet aan appellant kan worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen de intrekking en terugvordering van de bijstand in verband met de afkoop van zijn levensverzekering. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van appellant op grond van artikel 6:13 in verbinding met artikel 6:24 van de Awb niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover het betrekking heeft op de intrekking en de terugvordering van de bijstand over de periode van 8 januari 2002 tot en met 18 maart 2003.

4.2. De intrekking en de terugvordering van de bijstand in verband met het bezit van een auto.

4.2.1. De Raad stelt vast dat ten tijde hier van belang een auto met het kenteken [kenteken] op naam van appellant stond geregistreerd. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van een betrokkene staat, de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel vormt van het vermogen van die betrokkene waarover hij daadwerkelijk de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan verkrijgen. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om in voldoende mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. De Raad is van oordeel dat appellant hierin niet is geslaagd. Vaststaat dat appellant in de onderhavige periode feitelijk gebruik heeft gemaakt van de auto en dat het College onweersproken heeft gesteld dat appellant kosten in verband met het gebruik van de auto heeft gemaakt. De auto dient dan ook tot het vermogen van appellant te worden gerekend. Daaraan staat niet in de weg dat aankoopnota en facturen op naam van de moeder van appellante waren gesteld en dat zij de verzekering en de wegenbelasting betaalde. De Raad merkt in dit verband nog op dat de moeder van appellant niet over een rijbewijs beschikte.

4.2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto zoveel meer waard was dan het door het College algemeen gebruikelijk geachte bedrag van € 6.500,-- dat het vermogen van appellant met inbegrip van de auto ten tijde hier van belang de grens van het op hem van toepassing zijnde vrij te laten vermogen overschreed, zodat appellant geen recht had op bijstand.

4.2.3. Appellant heeft in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting aan het College niet gemeld dat de auto op zijn naam stond geregistreerd. Nu als gevolg daarvan over de periode van 22 augustus 2003 tot 26 januari 2004 ten onrechte bijstand is verleend, was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over die periode in te trekken. De Raad stelt vast dat het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van intrekking gehanteerde door de Raad niet onredelijke geachte beleidsregels. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4:84 (slot) van de Awb op grond waarvan het College van die beleidsregels had moeten afwijken.

4.2.4. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2.3 is overwogen vloeit voort dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 22 augustus 2003 tot en met 26 januari 2004. Het College heeft daarbij gehandeld in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde door de Raad niet onredelijk geachte beleidsregels. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4:84 (slot) van de Awb.

4.3. De herziening en de terugvordering van de bijstand in verband met inkomsten.

4.3.1. De Raad stelt, gelet op de gedingstukken, vast dat in maanden januari, februari, mei en juli 2003, april, oktober en november 2004 en januari en mei 2005 via kasstortingen bedragen (in totaal € 7.650,--) op de rekening van appellant zijn bijgeschreven. De Raad is van oordeel dat het College deze bedragen terecht heeft aangemerkt als middelen in de zin van artikel 42 van de Abw en - per 1 januari 2004 - artikel 31, eerste lid, van de WWB. Appellant had van de bankrekening en van de kasstortingen onverwijld aan het College melding moeten maken en heeft door dit na te laten de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.

4.3.2. De Raad volgt niet het standpunt van appellant dat deze bedragen niet bij de beoordeling van het recht op bijstand mogen worden betrokken omdat hij deze bedragen van zijn moeder heeft geleend en hij verplicht is tot terugbetaling daarvan. Aan de verklaring van zijn moeder van 4 november 2005 waarmee appellant zijn stellingen heeft onderbouwd hecht de Raad niet de betekenis die appellant daaraan toegekend wenst te zien. Nog daargelaten dat in die verklaring melding wordt gemaakt van een aan appellant geleend bedrag van € 6.500,-- blijkt daaruit niet dat aan de gestelde lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden, aangezien geen enkele indicatie wordt gegeven van de omvang van de bedragen die appellant maandelijks dient terug te betalen. In dit kader acht de Raad voorts van belang dat de verklaring achteraf is opgemaakt en dat in de rapportage van 1 maart 2006 is vermeld dat appellant met zijn moeder in eerste instantie had afgesproken dat hij op de lening zou aflossen als hij werk gevonden had. De omstandigheid dat appellant, nadat hij in het kader van het onderzoek naar de rechtmatigheid van de hem verleende bijstand was gehoord, op de door hem gestelde lening is gaan aflossen brengt niet mee dat sprake is van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting.

4.3.3. Appellant heeft verklaard dat hij de via kasstortingen op zijn rekening bijgeschreven bedragen heeft gebruikt voor levensonderhoud en het aanschaffen van algemeen gebruikelijke zaken. Hieruit leidt de Raad af dat de betreffende bedragen naar eigen inzicht konden worden besteed ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Gelet daarop dienen deze bedragen maar het oordeel van de Raad te worden aangemerkt als inkomsten in de zin van artikel 47, eerste lid, van de Abw en - per 1 januari 2004 - artikel 32, eerste lid, van de WWB, die appellant heeft ontvangen in de maanden waarin de stortingen plaatsvonden.

4.3.4. De Raad leidt uit het tot de gedingstukken behorende Uitgebreid overzicht van de berekening op maandbasis af dat het College de in januari, februari, mei en juli 2003 ontvangen inkomsten bij elkaar heeft opgeteld en via middeling heeft toegerekend aan alle in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 juli 2003 gelegen maanden. De in april, oktober en november 2004 ontvangen inkomsten heeft het College op dezelfde wijze toegerekend aan alle in het jaar 2004 gelegen maanden en de in januari en mei 2005 ontvangen inkomsten aan alle maanden van 2005. Het College heeft daarmee naar het oordeel van de Raad miskend dat de inkomsten dienen te worden toegerekend aan de maanden waarin zij zijn ontvangen en dat de bijstand van appellant slechts over die maanden kan worden herzien of ingetrokken.

4.3.5. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 26 oktober 2006 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen voor zover dat besluit ziet op (de handhaving van) de herziening van bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 juli 2003 en van 27 januari 2004 tot en met 31 december 2005 en de terugvordering van de kosten van bijstand over die periodes. De Raad zal het College opdragen in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daarbij merkt de Raad op dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is de aan appellant verleende bijstand over de in overweging 4.3.1 genoemde maanden in te trekken voor zover de in een maand ontvangen inkomsten de op appellant van toepassing zijnde bijstandsnorm overschrijden en te herzien voor zover de in een maand ontvangen inkomsten lager zijn dan de bijstandsnorm.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op de intrekking en de terugvordering van bijstand over de periode 8 januari 2002 tot en met

18 maart 2002;

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 26 oktober 2006 voor zover het betrekking heeft op de herziening en terugvordering van bijstand over de periodes van 1 januari 2003 tot en met 31 juli 2003 en van 27 januari 2004 tot en met 31 december 2005;

Bepaalt dat het College in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Leeuwarden;

Bepaalt dat de gemeente Leeuwarden aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ