Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6400

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
07-4922 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontkenning ontvangst opschortingsbesluit niet ongeloofwaardig.

Wetsverwijzingen
Participatiewet 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/118
ABkort 2009/137
USZ 2009/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4922 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 juli 2007, 06/4860 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.K. Ramdas, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2009. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sedert 19 mei 2003 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij brief van 21 april 2006 heeft het College appellant uitgenodigd voor een gesprek op 3 mei 2006 in verband met een onderzoek naar zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt en de juistheid van zijn uitkering. Bij brief van 24 april 2006 heeft het College meegedeeld dat de afspraak van 3 mei 2006 niet kan doorgaan en is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 10 mei 2006.

1.3. Bij besluit van 11 mei 2006 heeft het College het recht op bijstand van appellant met ingang van 10 mei 2006 opgeschort op de grond dat appellant niet is verschenen op de afspraak die met hem is gemaakt. Daarbij is tevens aangegeven dat appellant zich binnen zeven dagen na dagtekening van het besluit bij zijn klantmanager dient te melden en dat de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB zal worden beëindigd indien van de gelegenheid het verzuim te herstellen geen gebruik wordt gemaakt.

1.4. Bij besluit van 24 mei 2006 heeft het College met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand met ingang van 10 mei 2006 ingetrokken op de grond dat appellant verzuimd heeft inlichtingen te verstrekken.

1.5. Bij besluit van 30 oktober 2006 heeft het College het tegen het besluit van 24 mei 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is ervan uitgegaan dat het College bij het besluit van 30 oktober 2006 tevens het besluit van 11 mei 2006 heeft heroverwogen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt allereerst, ambtshalve oordelend, vast dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat bij besluit van 30 oktober 2006 tevens het besluit van 11 mei 2006 is heroverwogen. Door in beroep een oordeel te geven over de in het besluit van 11 mei 2006 vervatte opschorting van het recht op bijstand heeft de rechtbank de omvang van het geding niet juist vastgesteld en dusdoende in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet hierin, mede gelet op het feit dat artikel 8:69, eerste (en tweede) lid van de Awb van openbare orde is, aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen en te doen wat de rechtbank zou behoren te doen.

4.2. Met betrekking tot de intrekking van de bijstand overweegt de Raad vervolgens als volgt.

4.2.1. Bij de beantwoording van de vraag of het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van bijstand staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken of de anderszins gevraagde medewerking te verlenen. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene daar een verwijt van kan worden gemaakt.

4.2.2. Het College heeft aan de intrekking van de bijstand ten grondslag gelegd dat appellant verzuimd heeft inlichtingen te verstrekken, waarmee is gedoeld op de omstandigheid dat hij zich niet binnen de in het opschortingsbesluit van 11 mei 2006 vermelde termijn van zeven dagen na dagtekening van dat besluit bij de klantmanager heeft gemeld. Aangezien de intrekking van de bijstand een voor appellant belastend besluit betreft, is het aan het College aannemelijk te maken dat appellant tijdig van het opschortingsbesluit in kennis is gesteld.

4.2.3. De Raad stelt, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, vast dat niet is gebleken dat het opschortingsbesluit aan appellant is uitgereikt dan wel aangetekend of met bericht van ontvangst aan hem is verzonden. Het College heeft evenmin de verzending van dat besluit aan het juiste adres langs andere weg aangetoond. De Raad merkt in dit verband op dat de gemachtigde van het College ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat ten tijde hier van belang van de verzending van dergelijke besluiten geen registratie werd bijgehouden.

4.2.4. Appellant heeft gesteld dat hij het opschortingsbesluit eerst op 3 juli 2006 van de rechtbank Rotterdam heeft ontvangen en heeft een eerdere ontvangst van dat besluit ontkend. Anders dan het College is de Raad van oordeel dat de ontkenning van die eerdere ontvangst niet als ongeloofwaardig kan worden bestempeld aangezien uit de beschikbare gegevens niet kan worden afgeleid dat appellant het besluit wel eerder moet hebben ontvangen. Zo is niet gebleken dat door appellant naar aanleiding van het opschortingsbesluit handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met dat besluit aan het adres van appellant wel heeft plaatsgevonden.

4.2.5. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2.3 en 4.2.4 is overwogen is niet boven elke twijfel verheven dat het opschortingsbesluit van 11 mei 2006 ook daadwerkelijk aan appellant is verzonden. Deze onzekerheid mag naar het oordeel van de Raad niet ten nadele van appellant uitwerken in die zin dat hem wordt tegengeworpen dat hij een door het College in het opschortingsbesluit gestelde termijn voor herstel van een geconstateerd verzuim verwijtbaar ongebruikt heeft laten verstrijken. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat appellant er niet van op de hoogte was dat hij zich binnen zeven dagen na 11 mei 2006 bij zijn klantmanager diende te melden. Gelet hierop was het College niet bevoegd de bijstand onder toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 10 mei 2006 in te trekken. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, zal de Raad met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2006 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 24 mei 2006 te herroepen nu dit op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust.

4.3. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 30 oktober 2006;

Herroept het besluit van 24 mei 2006;

Veroordeelt het College in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1610,--, te betalen door de gemeente Rotterdam;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

EK