Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6399

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
08-2677 WW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nadat appellante diverse rechtsmiddelen heeft aangewend, is haar een WW-uitkering toegekend. Het verzoek ten aanzien van de vergoeding van de proceskosten is afgewezen voor zover dat verzoek betrekking had op kosten van juridische bijstand boven een reeds door het Uwv vergoed bedrag van € 322,-.. Geen sprake van een uitzonderlijk, schrijnend geval waarbij strikte toepassing van het Bpb evident onrechtvaardig zou zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2677 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2008, 06/2353 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 februari 2009.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.P.F. van Duren, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009. Namens appellante is mr. Van Duren verschenen. Tevens heeft zij zich laten vertegenwoordigen door haar echtgenoot, [naam echtgenoot]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. van den Wal.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft op 30 november 2004 een uitkering in het kader van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Nadat appellante diverse rechtsmiddelen heeft aangewend, is haar bij besluit van 5 juli 2006 een WW-uitkering toegekend per

1 december 2004.

1.2. Op 26 juli 2006 heeft appellante het Uwv verzocht haar de volledige proceskosten, de wettelijke rente over de te laat betaalde WW-uitkering en de daarmee samenhangende fiscale schade te vergoeden. Bij het thans bestreden besluit van 28 september 2006 heeft het Uwv, voor zover hier van belang, het verzoek ten aanzien van de vergoeding van de proceskosten afgewezen voor zover dat verzoek betrekking had op kosten van juridische bijstand boven een reeds door het Uwv vergoed bedrag van € 322,-.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellante, gericht tegen deze afwijzing, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is bedoeld voor uitzonderlijke, schrijnende gevallen waarbij strikte toepassing van het Bpb evident onrechtvaardig zou zijn. De rechtbank was van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake was.

3. De stellingen van appellante in hoger beroep komen er op neer dat sprake is van een schrijnend geval omdat zij gedurende een zekere periode geheel zonder inkomsten zat. Daarbij is er op gewezen dat het Uwv na de aanwending van rechtsmiddelen is teruggekomen op eerdere standpunten en dat aan appellante alsnog een WW-uitkering is toegekend. Appellante heeft daarvoor wel bijzondere inspanningen moeten plegen en diverse procedures moeten voeren.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Uit artikel 2, derde lid, van het Bpb volgt dat slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid van dat artikel. De door appellante genoemde omstandigheden dat het Uwv een eerder ingenomen standpunt heeft verlaten, dat zij daartoe rechtshulp heeft moeten inroepen en dat zij gedurende een zekere periode geen inkomsten had, kunnen naar het oordeel van de Raad niet als uitzonderlijk worden aangemerkt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

4.2. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) P. Boer.

BvW