Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6363

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
08-3422 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Appellant had een in rechte te honoreren belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden (voorschot)besluit. Appellant heeft geen grieven aangevoerd tegen de voorschotverstrekking. Geen vergoeding van de kosten in bezwaar. Geen proceskostenvergoeding in beroep. Toekenning proceskostenvergoeding hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/3422 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 juni 2008, 07/1041 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 februari 2009.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009. Appellant is - met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant is op 23 april 2007 op staande voet ontslagen. Op 8 mei 2007 heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 10 mei 2007 (hierna: primair besluit) is appellant meegedeeld dat er nog geen beslissing kan worden genomen op deze aanvraag en dat appellant ook geen voorschot op een WW-uitkering krijgt. Het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar is door het Uwv bij het bestreden besluit van 19 september 2007 kennelijk ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij meegedeeld dat het voorschot op nihil is gesteld.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat een voorschot niet meer kan worden toegekend nu het ontslag op staande voet ongedaan is gemaakt en aan appellant met ingang van 3 september 2007 een WW-uitkering is toegekend.

4. Het hoger beroep van appellant komt er op neer dat appellant van mening is dat het Uwv door de wijze van besluitvorming de kosten van de behandeling van het bezwaar dient te vergoeden.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. De Raad is van oordeel dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Naar het oordeel van de Raad had appellant in de gegeven omstandigheden een in rechte te honoreren belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden (voorschot)besluit.

5.2. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend vergoed voor zover het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

5.3. Appellant heeft uitdrukkelijk geen grieven aangevoerd tegen de voorschotverstrekking, maar heeft zich uitsluitend gericht tegen de in het bestreden besluit gebruikte letterlijke bewoordingen. Noch uit de strekking van het bestreden besluit, noch uit de daar gebezigde letterlijke bewoordingen volgt dat het Uwv het primaire besluit heeft herroepen. Dit betekent dat de kosten die appellant in bezwaar heeft gemaakt niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

5.4. Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep wel ontvankelijk is doch dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

6. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard is er voor een veroordeling tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb geen plaats.

7. De Raad ziet in de vernietiging van de aangevallen uitspraak wel aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- wegens verleende rechtsbijstand. Voor een proceskostenveroordeling in beroep bestaat, gelet op het voorgaande, geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) P. Boer.

BvW