Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6285

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2009
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
07-3207 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De brief bevat de mededeling dat geen aanleiding bestaat om appellant plichtsverzuim te verwijten en de aankondiging van een nader gesprek over de wijze van registreren en declareren. Met betrekking tot deze aankondiging heeft de brief het karakter van een normaal sturings-middel in de interne verhoudingen. Tegen de brief staat dan ook, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet het rechtsmiddel van bezwaar open.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3207 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 april 2007, 06/10976, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën, als rechtsopvolger van de Minister van Financiën (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 5 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2009. Appellant is verschenen en de staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F. Scheffer, werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is in dienst van het ministerie van Financiën werkzaam als accountant in de buitendienst bij de Belastingdienst regio [regio].

1.2. In maart 2006 is de leiding van de regio een onderzoek gestart naar de wijze waarop appellant zijn gewerkte uren registreert en de hieraan verbonden reis- en verblijfkosten declareert.

1.3. Bij brief van 24 augustus 2006 is appellant meegedeeld dat de bevindingen van het onderzoek onvoldoende aanleiding geven hem plichtsverzuim ten laste te leggen. Voorts is aangegeven dat er vragen blijven over de onderwerpen van het onderzoek en dat binnenkort met appellant een gesprek zal plaatsvinden om te komen tot een voldoende transparante wijze van registratie en declaratie.

1.4. Het bezwaar van appellant tegen de brief van 24 augustus 2006 is bij het bestreden besluit van 29 september 2006 niet-ontvankelijk verklaard, omdat die brief volgens de staatssecretaris niet is gericht op rechtsgevolg.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat appellant door de brief van 24 augustus 2006 niet in enig rechtspositioneel belang wordt getroffen. Dit geldt zowel de mededeling dat geen aanleiding bestaat om appellant plichtsverzuim te verwijten als de aankondiging van een nader gesprek over de wijze van registreren en declareren. Met betrekking tot deze aankondiging heeft de brief het karakter van een normaal sturings-middel in de interne verhoudingen, welke figuur onder andere in de uitspraak van de Raad van 8 april 2004, LJN AO8183 en TAR 2004, 106, aan de orde was. Tegen de brief staat dan ook, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet het rechtsmiddel van bezwaar open.

3.2. Anders dan appellant kan de Raad de brief van 24 augustus 2006 niet aanmerken als een beoordeling - al dan niet in materiële zin - waardoor die brief voor appellant wel op rechtsgevolg zou zijn gericht.

4. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak moet dus worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.