Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6267

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
07-1765 REA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaald verzoek. Weigering WAZ-uitkering: minder dan 25% arbeidsongeschikt. Tevens is besloten dat appellant in het kader van de Wet REA niet als arbeidsgehandicapte wordt beschouwd. Het standpunt van het Uwv met betrekking tot de nogmaals gewijzigde FML overgenomen beperkingen ten aanzien van huidcontact, allergie en reactie opwekkende stoffen is niet aangevochten. Appellant heeft geen zelfstandige beroepsgrond geformuleerd met betrekking tot het besluit dat appellant geen arbeidsgehandicapte is in de zin van de Wet REA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1765 REA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 februari 2007, 06/389 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P.A.M. Voogt, werkzaam bij DASrechtsbijstand, kantoor ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een rapport ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2009. Appellant is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 29 oktober 2003 heeft het Uwv geweigerd aan appellant per 31 maart 2003 (einde wachttijd) een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedroeg. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Bij brief van 10 december 2004 heeft appellant verzocht om een nieuw onderzoek naar zijn mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 27 april 2003.

1.3. Na daartoe van appellant verkregen machtiging heeft het Uwv van Interpolis N.V., gevestigd te Tilburg, medische gegevens van appellant verkregen, onder meer een tweetal rapporten van drs. H. Stigter, arbeidsgeneeskundige en dr. J.M. Rooyackers, longarts, en van Stigter, voornoemd en prof. dr. H. Folgering, klinisch fysioloog, van 6 januari 2003 en 10 oktober 2003.

1.4. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 23 februari 2005 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 31 maart 2003, de datum waarop volgens het Uwv het verzoek van appellant in feite ziet, ongewijzigd vastgesteld op minder dan 25% en tevens besloten dat appellant in het kader van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) niet als arbeidsgehandicapte wordt beschouwd.

Na bezwaar heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd bij zijn besluit van 13 december 2005. Daartoe is in de eerste plaats overwogen dat appellant per 31 maart 2003 onveranderd geschikt is voor zijn maatgevende functie van zelfstandig varkenshouder/loadermachinist, zodat van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAZ geen sprake is. Derhalve wordt appellant ook niet beschouwd als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet REA. Subsidiair wordt appellant in staat geacht een aantal hem geduide functies te vervullen, waarbij het verlies van verdienvermogen nihil is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 13 december 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat het onder 1.3 vermelde rapport van 6 januari 2003 niet kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of omstandigheid, omdat dit rapport ook was meegenomen bij het primaire besluit van 29 oktober 2003. Met betrekking tot het onder 1.3 vermelde rapport van 10 oktober 2003 heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts P. Bavelaar in zijn rapport van 27 juni 2005 het standpunt heeft ingenomen dat de primaire verzekeringsarts ten onrechte heeft gesteld dat er geen sprake is van nieuwe gezichtspunten dan wel van aanvullende beperkingen. Vervolgens heeft de rechtbank geen aanleiding gezien de door deze bezwaarverzekeringsarts nader vastgestelde medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid van appellant, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 november 2005, voor onjuist te houden. De rechtbank is verder van oordeel dat appellant geschikt is te achten voor zijn eigen werk van varkenshouder/loadermachinist gezien het eerdergenoemde rapport van 10 oktober 2003, zodat het subsidiaire standpunt van het Uwv (over de geschiktheid van appellant voor passende functies) geen bespreking meer behoeft. Ten slotte heeft de rechtbank het oordeel van het Uwv onderschreven, dat appellant terecht niet is aangemerkt als arbeidsgehandicapte.

3. In hoger beroep bestrijdt appellant slechts het primaire standpunt van het Uwv dat hij volledig geschikt is te achten voor zijn maatgevende functie. Het Uwv en de rechtbank hebben het rapport van 10 oktober 2003 onjuist geïnterpreteerd. Nu appellant zijn maatgevende functie niet volledig kan vervullen, is hij ten onrechte niet als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet REA aangemerkt.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Nu appellant tegen het besluit van 29 oktober 2003 geen rechtsmiddelen heeft aangewend is het in rechte onaantastbaar geworden. Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant strekt ertoe dat het Uwv van dit eerdere besluit terugkomt. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

4.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid het eerdere besluit handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk een geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.3. Ter ondersteuning van zijn herhaalde aanvraag heeft appellant aangevoerd dat uit het rapport van 10 oktober 2003 blijkt dat hij ongeschikt is te achten voor zijn maatgevende functie van varkenshouder/loadermachinist.

4.4.1. De Raad kan en zal daarlaten of het rapport van 10 oktober 2003 een nieuw gebleken feit of omstandigheid als hiervoor bedoeld, oplevert en of uit dit rapport volgt dat het primaire standpunt van het Uwv, te weten dat appellant volledig geschikt is te achten voor zijn maatgevende arbeid, onjuist is.

4.4.2. Het Uwv heeft immers aan het bestreden besluit tevens, subsidiair, ten grondslag gelegd het standpunt dat appellant, met inachtneming van de aan het rapport van 10 oktober 2003 ontleende en door bezwaarverzekeringsarts Bavelaar in de door hem op 21 november 2005 nogmaals gewijzigde FML overgenomen beperkingen ten aanzien van huidcontact, allergie en reactie opwekkende stoffen, in staat moet worden geacht een drietal functies, te weten productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (sbc-code 111180), samensteller metaalwaren (sbc-code 264140) en bezorger kranten, tijdschriften, wasgoed (sbc-code 111230), te vervullen en dat dan per 31 maart 2003 geen sprake is van verlies van verdienvermogen. Dit standpunt is door appellant niet aangevochten. Door hem is evenmin de juistheid van het standpunt van het Uwv, zoals neergelegd in het rapport van bezwaarbeidsdeskundige L. de Ponti van 1 december 2005, bestreden dat in deze functies geen sprake is van belastende aspecten ten aanzien van huidcontact, allergie en reactie opwekkende stoffen. Hieruit volgt dat het rapport van

10 oktober 2003 het Uwv niet dwong tot een ander besluit met betrekking tot de

WAZ-uitkering van appellant per 31 maart 2003.

4.4.3. Ten slotte stelt de Raad vast dat appellant geen zelfstandige beroepsgrond heeft geformuleerd met betrekking tot het - van het primaire standpunt van het Uwv afgeleide - besluit dat appellant geen arbeidsgehandicapte is in de zin van de Wet REA.

4.5. Gelet op het onder 4.1 - 4.4.3 overwogene kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak - met gedeeltelijke wijziging van de gronden waarop die uitspraak berust - voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Daarom wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en P.J. Stolk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) J.M. Tason Avila.

CVG