Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6244

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
08-602 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering verleggen van peildatum voor de bepaling van ouderlijke bijdrage. Terugval in inkomen.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 3.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/602 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 december 2007, 06/2171 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 13 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.A.J. Nibourg, werkzaam voor DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2009. Appellante is verschenen bij mr. S.D. van Reenen, kantoorgenoot van mr. S.A.J. Nibourg, voornoemd. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 22 november 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft de IB-Groep - beslissend op bezwaar - geweigerd om voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage over 2004 alsnog het inkomen van appellante in een recenter jaar dan het peiljaar 2002 in aanmerking te nemen. Deze weigering is gebaseerd op de aan artikel 3.10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) ontleende grond dat de daling van het inkomen van appellante en haar echtgenoot na het peiljaar moet worden gerekend tot de normale risico’s van appellantes beroep of de manier waarop appellante haar inkomen verwerft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet toereikend zijn gemotiveerd. Verder heeft zij opnieuw betoogt dat zij huisvrouw is en dat een inkomensdaling als aan de orde niet normaal is bij de wijze waarop zij haar inkomen verwerft. Appellante heeft een pand in eigendom waarvan zij vanouds een deel verhuurde aan het bedrijf van haar echtgenoot, [naam bedrijf] Deze verhuur is door [naam bedrijf] opgezegd vanwege een - aan de terroristische aanslagen van 11 september 2001 gerelateerde - terugloop in de bedrijfsresultaten. Sindsdien verhuurt appellante de betreffende ruimte aan een derde en in verband daarmee is de waardestijging van het verhuurde pand voor de heffing van inkomstenbelasting over 2002 bijgeteld. Dit heeft geleid tot een eenmalig hoog inkomen in het peiljaar 2002 en tot een inkomensdaling daarna.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de IB-Groep zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de terugval in het inkomen van appellante en haar echtgenoot na het peiljaar 2002 moet worden gerekend tot ‘inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving’, als bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, aanhef, en onder a, van de WSF 2000. De Raad onderschrijft dit oordeel en de overwegingen waarop het berust en maakt deze tot de zijne. Appellante genereert een belangrijk deel van haar inkomen met de verhuur van bedrijfsruimte. Aan deze economische activiteit is eigen dat inkomensschommelingen kunnen plaatsvinden, bijvoorbeeld indien een huurder opzegt en met een nieuwe huurder - mede afhankelijk van de situatie op de vastgoedmarkt - een hogere of lagere huur wordt afgesproken, maar ook indien de fiscale verantwoording van inkomsten uit verhuur wijzigt. De inkomensschommelingen die daarvan het gevolg zijn kunnen normaal worden geacht bij deze wijze van inkomensverwerving.

4.3. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

CVG