Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6199

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
08-5885 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAJONG-uitkering. Anders dan appellante ziet de Raad niet dat het Uwv met het boven genoemde rapport van de bva de beperkingen van appellante van een onvoldoende motivering zou hebben voorzien. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5885 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2008, 04/5049 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.N. Ketting, advocaat te Woerden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 29 januari 2009 heeft appellante een brief, met een bijlage, naar de Raad gezonden. Bij brief van 5 februari 2009 heeft het Uwv hierop gereageerd met inzending van een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 4 februari 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ketting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 10 december 2003 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 28 januari 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 6 september 2004 heeft het Uwv dit bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 28 januari 2004 vastgesteld naar een percentage van 55 tot 65.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 september 2004, hierna: het bestreden besluit, gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft voorts beslissingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank, het oordeel volgend van de door haar ingeschakelde deskundige, psychiater J. Rübsaam, heeft zich kunnen verenigen met de medische grondslag van het bestreden besluit. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de geschiktheid van de aan appellante voorgehouden functies, zij het eerst in beroep, voldoende heeft toegelicht.

4. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd, kort weergegeven, dat het Uwv de vaststelling van haar beperkingen onvoldoende heeft gemotiveerd, in welk verband zij heeft gewezen op een vermeende tegenstrijdigheid in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 10 februari 2004 en haar lage GAF-scores, dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft uitgesproken over het rapport van de door appellante ingeschakelde medisch adviseur S. Woudstra en dat de functie van medewerkster schoonmaakdienst onder sbc-code 111333 vanwege de aan samenwerking gestelde eisen voor haar niet geschikt is. Appellante heeft voorts verzocht om schadevergoeding, omdat door de duur van de behandeling van haar beroep door de rechtbank de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Anders dan appellante ziet de Raad niet dat het Uwv met het boven genoemde rapport van de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen van appellante van een onvoldoende motivering zou hebben voorzien. De bezwaarverzekeringsarts heeft na onderzoek van appellante en op basis van zijn bevindingen bij dat onderzoek gemotiveerd uiteengezet op welke punten hij tot een andere vaststelling van de beperkingen van appellante komt dan de arts die appellante voor het besluit van 10 december 2003 heeft gezien. Een tegenstrijdigheid in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts die zou meebrengen dat zijn beoordeling onbegrijpelijk is kan de Raad niet vaststellen. De verwijzing naar de GAF-scores, zoals genoemd in de rapportages van deskundige Rübsaam en van ‘AMC de Meren’ kunnen appellante niet baten. Deze scores vormen slechts een indicatie voor de belastbaarheid van appellante. Uiteindelijk zijn de vastgestelde beperkingen doorslaggevend. De Raad wijst er overigens op dat Rübsaam zich, ondanks de door hem genoemde GAF-score, verenigt met de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperkingen.

5.2. Ten aanzien van de grief van appellante dat de rechtbank geen oordeel zou hebben uitgesproken over het rapport van Woudstra van 25 augustus 2007, stelt de Raad allereerst vast dat deze is tot stand gekomen zonder dat Woudstra appellante zelf heeft onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts van het Uwv en de deskundige Rübsaam hebben appellante wel onderzocht. De rechtbank heeft gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad waarin ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te worden gevolgd. De rechtbank heeft geen feiten en omstandigheden aanwezig geoordeeld die zouden rechtvaardigen om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank is terecht tot dit oordeel gekomen. Ook de Raad ziet, in het licht van het bovenstaande, in het rapport van Woudstra onvoldoende grond om bij de oordeelsvorming niet uit te gaan van het rapport van de deskundige Rübsaam.

5.3. De grief van appellante, dat de functie van medewerkster schoonmaakdienst onder sbc-code 111333 vanwege de aan samenwerking gestelde eisen voor haar niet geschikt is, kan niet slagen. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de bezwaararbeidsdeskundige daarover in zijn rapportage van 4 februari 2009 heeft gesteld.

5.4. Wat betreft appellantes verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM overweegt de Raad als volgt.

5.5. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, zaak nr. 30979/96, gepubliceerd in AB 2001/ 86, en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, zaak nr. 62361/00, gepubliceerd in

JB 2006/134).

5.6. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 20 januari 2004 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en twee maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim zeven maanden geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 12 oktober 2004 van het beroepschrift van appellante heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank ruim drie jaar en 10 maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op 8 oktober 2008 van het hoger-beroepschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak ruim vijf maanden geduurd. Aan deze vaststellingen kan het vermoeden worden ontleend, zoals door appellante gesteld, dat de redelijke termijn is geschonden door de rechtbank.

5.7. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, met - voor zover nodig - verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), moet worden beslist omtrent appellantes verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

6. De Raad ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Bepaalt dat het onderzoek onder nummer 09/1221 wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent appellantes verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009.

(get.) H. Bedee.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL