Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6186

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
07-5380 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. In de beschikbare (medische) gegevens is onvoldoende basis te vinden om de stelling van appellant te kunnen onderschrijven dat de aanvalsfrequentie van de ziekte van Ménière op de datum in geding eenmaal per week bedroeg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5380 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 september 2007, 05/8154 WAO, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2009. Appellant is niet verschenen. Voormelde gemachtigde was aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, voorheen werkzaam als assistent installateur/loodgieter, heeft zich tijdens het ontvangen van uitkering ingevolge de Werkloosheidswet op 22 december 2003 ziek gemeld in verband met gehoorproblemen, duizeligheid en misselijkheid. De verzekeringsarts van het Uwv heeft blijkens zijn rapport van 26 oktober 2004 als (mogelijke) diagnose de ziekte van Ménière gesteld en geconcludeerd dat appellant in verband daarmee beperkingen ondervindt, maar met die beperkingen wel belastbaar is met arbeid. Deze beperkingen heeft hij vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens een aantal voor appellant geschikte functies geselecteerd waarmee appellant een zodanig inkomen kan verdienen dat geen verlies aan verdiencapaciteit resteert. Het Uwv heeft bij besluit van 3 januari 2005 geweigerd om appellant per 19 december 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen dit besluit en zijn brieven van diens huisarts en van J.P. Koopman, KNO-arts, overgelegd. De bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn heeft in zijn rapport van 11 oktober 2005 het oordeel van de primaire verzekeringsarts onderschreven. De bezwaararbeidsdeskundige D.J. Gootjes heeft in zijn rapport van 19 oktober 2005 een toelichting op de geduide functies gegeven en vastgesteld dat het resultaat van de primaire beoordeling in stand kan blijven. Bij besluit van 2 november 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is met name aangevoerd dat de ziekte van Ménière aanvalsgewijs verloopt en dat appellant in verband met de desbetreffende aanvallen die één maal per week voorkomen, op de dag van de aanval en enkele dagen nadien, buiten staat is arbeid te verrichten. Appellant heeft dan ook in feite geen benutbare arbeidsmogelijkheden en kan in elk geval de geduide functies niet uitoefenen.

3. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de KNO-arts H.M. Blom te verzoeken om van verslag en advies te dienen. Deze deskundige heeft in zijn rapport van 30 november 2006 gesteld, dat zeer waarschijnlijk sprake is van de ziekte van Ménière aan het rechteroor, welke ziekte een wisselend beloop heeft, waarbij appellant bij een acute aanval volledig geïnvalideerd is en enkele dagen (1 tot 3) voor herstel nodig heeft. Tijdens de goede periodes wanneer zich geen aanvallen voordoen, is de FML zonder meer van toepassing. Het probleem is het wisselende beloop: “Indien pati?nt een aanval per week had, de informatie in het dossier hierover is niet ondubbelzinnig, was hij niet in staat 40 uur per week te werken”. De bezwaarverzekeringsarts Van Duijn heeft er in zijn reactie op dit rapport op gewezen dat de huisarts noch de specialist in de aanwezige stukken melding maken van het eenmaal per week voorkomen van een aanval op de datum in geding, terwijl enige objectivering op dit punt vereist is. De deskundige Blom heeft op vragen van de rechtbank in een brief van 23 maart 2007 vermeld dat het vaststellen (na verloop van twee jaar) van de frequentie van de aanvallen op de datum in geding buiten zijn competentie valt; afgezien van de aanvallen acht hij een doorlopende volledige arbeidsongeschiktheid niet waarschijnlijk. De rechtbank heeft de conclusies van de deskundige gevolgd wat betreft de gestelde diagnose. De frequentie van de aanvallen van appellant is echter niet geobjectiveerd. Appellant heeft niet onderbouwd dat de aanvallen in de door hem gestelde mate voorkomen, terwijl daarvoor ook in de (medische) stukken geen bevestiging is te vinden. De medische basis van het bestreden besluit is derhalve voldoende te achten. Ook de arbeidskundige kant van de schatting acht de rechtbank afdoende toegelicht. Ook ziet de rechtbank geen grond aanwezig voor de stelling, dat niet in redelijkheid van een werkgever zou zijn te vergen om appellant in bepaalde arbeid te werk te stellen. De rechtbank heeft het beroep derhalve ongegrond verklaard.

4. Namens appellant is er in hoger beroep met name op gewezen dat de deskundige Blom niet uitsluit dat de eerder bedoelde aanvallen eenmaal per week voorkomen en dat appellant dan enkele dagen nodig heeft om te herstellen. Voorts bestrijdt appellant dat het op zijn weg zou liggen om de frequentie van de aanvallen met nadere gegevens te onderbouwen.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. De Raad stelt vast dat in de beschikbare (medische) gegevens onvoldoende basis is te vinden om de stelling van appellant te kunnen onderschrijven dat de aanvalsfrequentie op de datum in geding eenmaal per week bedroeg. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen. Ook van de zijde van appellant is geen toereikende onderbouwing voor deze stelling verstrekt. Onder deze omstandigheden is er – mede in het licht van het arbeidsongeschiktheidscriterium van de WAO waaruit voortvloeit dat de vaststelling van arbeidsongeschiktheid op een objectieve en verifieerbare basis moet geschieden – onvoldoende grond om de medische basis van het bestreden besluit ondeugdelijk te achten.

5.3. De Raad acht de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit met het arbeidskundig rapport van 19 oktober 2005 voldoende toegelicht. Ook al zou ten aanzien van enkele functies de vraag kunnen worden gesteld of de gegeven toelichting voldoende adequaat is, er resteren niettemin voldoende functies ten aanzien waarvan de gegeven toelichting deugdelijk is te achten om de schatting te kunnen dragen.

5.4. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) M.A. van Amerongen.

JL