Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6181

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
07-2521 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Juistheid oordeel over belastbaarheid en de daaraan gekoppelde voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2521 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2007, 06/4062 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 7 maart 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 9 februari 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.2. Bij besluit van 31 augustus 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 maart 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellant correct heeft vastgesteld en dat haar niet is gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt.

3. Appellant heeft in hoger beroep voornamelijk het eerder aangevoerde - met name dat zijn beperkingen zijn onderschat - herhaald en een (aangevulde) afsprakenkaart van de Polikliniek Longziekten van het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam, alsmede een overzicht van de door hem gebruikte medicatie overgelegd.

4. De Raad overweegt met betrekking tot de vraag of hij het oordeel van de rechtbank kan onderschrijven het volgende.

4.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad, evenals de rechtbank, geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies daarvan. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellant te kunnen volgen in de opvatting dat zijn beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. De beschikbare medische gegevens, afkomstig van appellants huisarts en longarts, bieden voor die opvatting van appellant geen steun. De bevindingen van deze artsen zijn overigens door de verzekeringsartsen in hun beoordeling betrokken. Het is de Raad niet gebleken dat met die bevindingen onvoldoende zou zijn rekening gehouden. De in hoger beroep overgelegde informatie bevat, zoals het Uwv naar het oordeel van de Raad met juistheid opmerkt, over de lichamelijke gesteldheid van appellant en de behandeling daarvan op de in geding zijnde datum 9 februari 2006 geen andere informatie dan reeds bij het Uwv bekend was.

4.2. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen ziet de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd, met de rechtbank, geen reden om de geschiktheid van appellant voor de werkzaamheden verbonden aan de hem geduide functies in twijfel te trekken.

5. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM