Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6178

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
06-5386 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Arbeidskundige grondslag van het besluit. De Raad is, de in hoger beroep gegeven nadere toelichtingen op de signaleringen overziend, tot de conclusie gekomen dat deze nadere toelichtingen in onderling verband bezien een voldoende motivering vormen voor het standpunt van het Uwv dat betrokkene met haar beperkingen de functies onder de vier genoemde SBC-codes kan verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5386 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 augustus 2006, 05/1291 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 11 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. H. Meijer, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, gevestigd te Zoetermeer, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2008. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis. Betrokkene is niet verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 18 juli 2008 nadere informatie verstrekt. Bij brief van 15 september 2008 is namens betrokkene op deze informatie gereageerd. Bij brief van 20 oktober 2008 heeft het Uwv nog een reactie gegeven.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was werkzaam als verkoopster/assistent bedrijfsleider bij een schoenenzaak voor 32 uur per week. In juni 2001 heeft zij zich ziek gemeld met klachten in verband met haar zwangerschap. Na de bevalling heeft betrokkene een auto-ongeval doorgemaakt, waarna zij als gevolg van een daarbij opgelopen whiplashletsel nekklachten heeft gekregen. In verband daarmee is aan betrokkene per 9 januari 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.

1.2. Op 6 oktober 2004 en 18 november 2004 is betrokkene in het kader van een herbeoordeling medisch onderzocht. Daarbij is geconcludeerd dat betrokkene minder beperkt was dan bij de beoordeling in 2002 was aangenomen. Er is een nieuwe Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Een arbeidsdeskundige selecteerde aan de hand hiervan functies en berekende het verlies aan verdiencapaciteit op 0%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 3 januari 2005 de WAO-uitkering van betrokkene per 4 maart 2005 ingetrokken.

2. In het kader van de bezwaarschriftprocedure is voor betrokkene ten aanzien van sociaal functioneren een extra beperking aangenomen die is neergelegd in een nieuwe FML van 1 augustus 2005. Daarop heeft bezwaararbeidsdeskundige N. van Rhee de functies herbeoordeeld, vier van de acht primair voor betrokkene geselecteerde SBC-codes nog voor haar geschikt geacht en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 1,1%. Bij besluit van 18 september 2005 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en bepalingen gegeven ter zake van vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd vanwege gebreken in de motivering van de medische geschiktheid van de voor betrokkene geselecteerde functies.

4. Appellant heeft in hoger beroep, kort samengevat, aangevoerd dat de geschiktheid van de aan de intrekking van de WAO-uitkering ten grondslag gelegde functies voldoende inzichtelijk was gemotiveerd.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad stelt vast dat in het hoger beroep alleen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ter beoordeling staat.

5.2. Hangende het hoger beroep heeft het Uwv bij brief van 13 november 2006, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2006, LJN AY9971, een nadere toelichting gegeven op de geschiktheid van de functies onder drie van de vier aan de schatting ten grondslag liggende SBC-codes en zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit thans afdoende is gemotiveerd. Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen voor zover daarbij de opdracht is gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

5.3. De Raad stelt vast dat het Uwv thans het standpunt inneemt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd. De Raad staat, gelet op de in hoger beroep nader gegeven toelichtingen op de signaleringen, voor de beantwoording van de vraag of er aanleiding is de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

5.4. Uit het rapport van Van Rhee van 12 september 2005 blijkt dat de berekening van de verdiencapaciteit van betrokkene is gebaseerd op de functies inpakker handmatig (SBC-code 111190), productiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043), productiemedewerker confectie (SBC-code 272042) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180). In zijn rapportages van 9 november 2006 en 17 juli 2008 heeft Van Rhee een nadere toelichting gegeven op de functiebelastingen van deze functies.

5.5. Blijkens haar reactie op het rapport van 17 juli 2008 acht betrokkene geen van de in 5.4 vermelde functies geschikt omdat daarin sprake zou zijn van deadlines, productiepieken, een dwingend, snel handelingstempo dan wel een niet-voorspelbare werksituatie. Bovendien meent betrokkene dat de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige met de toelichting bij aspect 1.9.7 haar belastbaarheid ontoelaatbaar relativeren.

5.6. De Raad stelt vast dat betrokkenes grieven met name zijn gericht tegen de functiebelastingen op de aspecten 1.9.5, 1.9.7 en 1.9.8, apart en in onderlinge samenhang bezien. Echter, blijkens de FML van 1 augustus 2005 is betrokkene beperkt geacht op de aspecten 1.9.5 en 1.9.7 en niet op aspect 1.9.8. De beperking op 1.9.5 houdt in dat betrokkene is aangewezen op een voorspelbare werksituatie, omdat zij niet flexibel kan inspelen op sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud. Daarbij is de nadere toelichting gegeven dat het gaat om gemiddeld werk waarin goed structuur is aan te brengen met af en toe een onverwachte taak. De beperking op 1.9.7 houdt in dat betrokkene is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. Ook hier gaat het om gemiddeld(e) werk- en tempodruk met ook tijd voor ontspanning.

5.6.1. De Raad heeft geconstateerd dat in het resultaat functiebeoordeling van alle geselecteerde functies een signalering voorkomt op aspect 1.9.5. Bij geen van de functies wordt een belasting aangegeven op aspect 1.9.7. In de functies onder de SBC-codes 111190 en 111180 is een belasting aangegeven op aspect 1.9.8 in die zin dat het in deze functies gaat om zeer kortdurende, snel elkaar opvolgende handelingen.

5.6.2. Naar aanleiding van de vraag van de Raad wat de betekenis is van de toelichting van de verzekeringsarts bij belastingaspect 1.9.7, hoe deze toelichting zich verhoudt tot de belasting op het aspect 1.9.8 in voormelde functies en wat dit betekent voor de geschiktheid van de functies voor betrokkene, heeft Van Rhee in zijn rapportage van 17 juli 2008 aangegeven “dat de toelichting bij 1.9.7 enkel toeziet op de mentale/cognitieve belasting. Met betrekking tot arbeidsbelasting in mentaal/cognitieve zin moet die voldoen aan de gegeven toelichting: “gemiddeld(e) werk- en tempodruk met ook tijd voor ontspanning”. Het gaat er dus om dat geen functies worden geduid waarbij de functionaris bij voortduring bovengemiddeld mentaal/cognitief bezig is. De functies waarop de schatting is gebaseerd, voldoen aan die voorwaarde. (..)Aspect 1.9.8 stelt, indien dit in de FML is gescoord, geheel andere eisen aan arbeid dan de eisen die aan arbeid worden gesteld op basis van een score bij 1.9.7. Aspect 1.9.8 wordt in de FML gescoord wanneer er problemen zijn in het (fysieke) handelingstempo. Problemen dus in de snelheid van handelen. Voor cliënt gelden wel voorwaarden ten aanzien van de mentale/cognitieve belasting, niet ten aanzien van snelheid van handelen. Het feit dat bij hand- en vingergebruik (4.3) in het geheel geen beperking is aangenomen, ook niet bij fijn motorische arbeid (4.3.7), noch bij repetitieve handelingen (4.3.8), ondersteunt en onderbouwt die stelling.”

Ten aanzien van de functies onder de SBC-codes 111190 en 111180 geeft Van Rhee aan dat in SBC-code 111190 vooral tijdens het vullen van trays (dit betreft 50% van de werktijd) sprake is van een hoog handelingstempo. Het gaat om arbeid op de “automatische piloot”, dus met het verstand op 0. Dit wordt ook ondersteund door het feit dat aspect 1.9.7 niet als kenmerkende belasting in het resultaat functiebeoordeling is opgenomen. In SBC-code 111180 wordt gewerkt volgens normtijden. Dit impliceert niet meer dan dat moet worden doorgewerkt. De normen zijn echter zodanig gesteld dat het niet leidt tot een onacceptabele foutmarge.

5.6.3. Hetgeen onder 5.6.2 is vermeld heeft de Raad, mede in aanmerking genomen de functiebeschrijvingen van de functies onder de SBC-codes 111190 en 111180, tot de conclusie gebracht dat de belasting op het aspect 1.9.7 in de betreffende functies de belastbaarheid van betrokkene niet overschrijdt. Hetgeen daartegen door betrokkene is aangevoerd volgt de Raad dan ook niet. De Raad merkt daarbij op dat in de functie van inpakker (SBC-code 111190) gewerkt wordt aan een inpaklijn. Het gaat hier om lopende bandwerk waarbij samengewerkt wordt met collega’s. Van de 12.000 cakes die per dag in trays worden ingepakt zal dan ook maar een deel door betrokkene worden ingepakt. Bovendien betreft dit inpakken, naar Van Rhee terecht heeft opgemerkt, 50% van de werktijd. Daarnaast worden dozen ingepakt en wordt de werkplek schoongemaakt.

De opmerking van betrokkene dat in SBC-code 111180 geen sprake is van een voorspelbare werksituatie kan de Raad niet plaatsen. Het gaat hier om zeer gestructureerd werk volgens een vast patroon. Dat een bepaalde productienorm moet worden gehaald betekent niet dat in het werk sprake is van een meer dan gemiddelde tempodruk.

De functies onder de SBC-codes 272043 en 272042 zijn lichte productiefuncties, waarin weinig eigen initiatief wordt verwacht en waarin niet meer dan gemiddelde eisen worden gesteld ten aanzien van tempo en productieaantallen.

5.6.4. In zijn nadere rapportage van 16 oktober 2008, opgesteld naar aanleiding van de reactie van betrokkene op het rapport van 17 juli 2008, heeft Van Rhee, na overleg met de bezwaarverzekeringsarts, uiteengezet dat met de toelichting op aspect 1.9.7 niet een relativering, maar een concretisering van de beperking is bedoeld en dat de toelichting op 1.9.7 niet tevens betrekking heeft op aspect 1.9.8 zoals door betrokkene is gesteld. De Raad kan zich in de uiteenzetting van Van Rhee vinden en onderschrijft die.

6. De Raad is, de in hoger beroep gegeven nadere toelichtingen op de signaleringen overziend, tot de conclusie gekomen dat deze nadere toelichtingen in onderling verband bezien een voldoende motivering vormen voor het standpunt van het Uwv dat betrokkene met haar beperkingen de functies onder de vier genoemde SBC-codes kan verrichten. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. De kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij aan het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) E.M. de Bree.

TM