Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6148

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
16-03-2009
Zaaknummer
06-6602 WAO + 07-741 WAO + 07-2815 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit 3 leidde alsnog tot gegrondverklaring van het bezwaar van appellante en tot indeling van appellante met ingang van de in geding zijnde datum in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%. Renteschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6602 WAO + 07/741 WAO + 07/2815 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2006, 06/445 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. van Leeuwen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 24 januari 2007 heeft het Uwv een arbeidskundige rapportage, medeondertekend door een bezwaarverzekeringsarts, en een nieuw besluit op bezwaar ingezonden.

Het Uwv heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft een aanvullende rapportage van zijn bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Bij brief van 11 mei 2007 heeft het Uwv een nader arbeidskundig rapport en een nieuw besluit op bezwaar in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2008. Appellante is – met voorafgaand bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 29 juli 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 29 september 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.2. Bij besluit van 20 december 2005 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 juli 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante. Voorts heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de door appellante gemaakte proceskosten en bepaald dat het Uwv het griffierecht aan appellante vergoedt. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 7 december 2005 en dat er evenmin aanleiding is om aan te nemen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De medische grondslag van bestreden besluit 1 is naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 heeft de rechtbank overwogen dat van de zijde van het Uwv onvoldoende is gemotiveerd dat de aan appellante voorgehouden functie van soldering technician, behorend bij SBC-code 111180, voor haar als geschikt is aan te merken, met als gevolg dat de onderhavige schatting berust op twee functies, in verband waarmee bestreden besluit 1 voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Om deze reden heeft de rechtbank overige arbeidskundige grieven van appellante buiten bespreking gelaten.

3. In hoger beroep heeft appellante haar in eerdere fasen van de procedure genoemde bezwaren in essentie herhaald. Daarnaast heeft appellante erop gewezen dat de functie, behorend tot SBC-code 315120, zoals vermeld op de arbeidsmogelijkhedenlijst van 15 december 2005, slechts één arbeidsplaats kent en is geactualiseerd na de in geding zijnde datum, zodat deze functie evenmin aan de schatting ten grondslag had mogen worden gelegd.

4. Appellante heeft in hoger beroep verzocht het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding (wettelijke rente).

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Het Uwv heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit van 30 november 2006 (hierna: bestreden besluit 2) de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante onveranderd vastgesteld op 45 tot 55% en het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond verklaard. Vervolgens heeft het Uwv naar aanleiding van de rechtspraak van de Raad over de maximering van de maatmanomvang ter zake van de bepaling van de resterende verdiencapaciteit een andere zogenoemde reductiefactor gehanteerd, hetgeen blijkens zijn besluit van 11 mei 2007 (hierna: bestreden besluit 3) alsnog leidde tot gegrondverklaring van het bezwaar van appellante en tot indeling van appellante met ingang van de in geding zijnde datum in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%.

5.2. Gelet op artikel 6:24 en met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is de Raad van oordeel dat het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 mede geacht moet worden te zijn gericht tegen bestreden besluit 2 en bestreden besluit 3.

5.3. De Raad is van oordeel dat de beperkingen van appellante door middel van een zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft informatie ingewonnen bij de zogeheten behandelend sector en deze mede bij zijn oordeel betrokken. In de beschikbare gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts aanleiding gezien appellante verdergaand beperkt te achten dan de primaire verzekeringsarts en hij heeft de FML dan ook dienovereenkomstig aangescherpt. De Raad is niet gebleken van aanknopingspunten om de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de medische grondslag van bestreden besluit 1 of de juistheid daarvan in twijfel te trekken. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht de medische onderbouwing van bestreden besluit 1 onderschreven. Evenzeer terecht heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 onvoldoende geacht. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd, zij het met verbetering van gronden. Naar aanleiding van bestreden besluit 3 moet er immers van worden uitgegaan dat de eerdere besluitvorming op een onjuiste feitelijke grondslag berustte. De overige arbeidskundige grieven zal de Raad bij de beoordeling van de bestreden besluiten 2 en 3 bespreken.

5.4. Bestreden besluit 2 berust op de nadere rapportage van bezwaararbeidsdeskundige L.J. de Vrijer van 22 november 2006, waarin deze – in overleg met bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink – een aanvullende toelichting geeft ten aanzien van de door de rechtbank verworpen functie van soldering technician, behorend bij SBC-code 111180.

5.5.1. De Raad is van oordeel dat het Uwv bij evengenoemde rapportage alsnog een afdoende onderbouwing heeft gegeven voor de geschiktheid van de aan appellante voorgehouden functie van soldering technician. In hetgeen door appellante over de motivering van de geschiktheid van de voorgehouden functies is aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gezien tot een ander oordeel te komen.

5.5.2. Met betrekking tot de grief van appellante dat er sprake is van een ongeoorloofde reformatio in peius doordat haar maatmaninkomen in de bezwaarfase naar beneden is bijgesteld, overweegt de Raad dat hij geen aanknopingspunten heeft de vaststelling van appellantes maatmaninkomen, zoals blijkend uit het rapport van bezwaararbeidsdeskundige J.F. van der Woude van 15 december 2005, voor onjuist te houden. De grief van appellante faalt, reeds omdat het Uwv op grond van het bijgestelde maatmaninkomen ten aanzien van appellante niet een geringere mate van arbeidsongeschiktheid dan in de primaire fase van de besluitvorming heeft vastgesteld.

5.6. Bestreden besluit 3 berust op het nader arbeidskundig rapport van 7 mei 2007, opgesteld door de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Grothe. Deze heeft, uitgaande van de omvang van de maatman van appellante van 46,96 uur per week, in het licht van de uitspraak van de Raad van 2 maart 2007 (LJN AZ9652) inzake de maximering van de urenomvang van de maatman de zogeheten reductiefactor herzien en vervolgens de resterende verdiencapaciteit van appellante herberekend. Dit betekent dat het Uwv in bestreden besluit 3 te kennen heeft gegeven de in bestreden besluit 2 neergelegde arbeidskundige grondslag van de schatting niet langer te handhaven. Gelet hierop dient het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond te worden verklaard en dient dit besluit te worden vernietigd.

5.7. De wijziging van bestreden besluit 3 ten opzichte van bestreden besluit 2 betreft uitsluitend de herberekening van de resterende verdiencapaciteit van appellante op basis van de gewijzigde reductiefactor. De Raad heeft geen aanknopingspunten deze herberekening voor onjuist te houden.

5.8. De conclusie is dat het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond dient te worden verklaard.

6. Met het voorgaande is gegeven dat appellante als gevolg van het onrechtmatig gebleken besluit van 29 juli 2005 schade heeft geleden, verband houdende met vertraagde uitbetaling van de uitkering. Op het Uwv rust de verplichting die schade te vergoeden op de wijze als bepaald in de uitspraak van de Raad van 1 november 1995, LJN ZB1495 (JB1995, 314).

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding aan appellante van de schade als hiervoor is aangegeven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H. Bedee en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

KR