Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6140

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2009
Datum publicatie
16-03-2009
Zaaknummer
07-5112 AW en 07-5113 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herplaatsing(skandidaat). Ontslag wegens opheffing functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5112 AW en 07/5113 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2007, 06/1690 en 06/5188 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Bestuur van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 26 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2009. Appellant is verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.J. Rutten, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en R. Damman, werkzaam bij de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als senior specialist wetenschappelijke informatie bij het Nederlands Instituut voor Wetenschappelijke Informatiediensten (NIWI) dat onderdeel uitmaakte van de KNAW. In 2004 is een reorganisatie in gang gezet die leidde tot de opheffing van het NIWI en van de functie van appellant. In de nieuwe organisatie is geen functie opgenomen die niet of nauwelijks een wijziging betekende in vergelijking met de (opgeheven) functie van appellant. In het kader van een belangstellingsregistratie heeft appellant opgegeven dat hij (met name) wilde worden geplaatst in de functie redacteur A of de functie specialist dataverwerking A bij het organisatieonderdeel Onderzoeksinformatie.

1.2. Overeenkomstig voorstellen van het Personeels Plaatsings Team (PPT) van genoemd organisatieonderdeel heeft het bestuur bij besluit van 27 juni 2005 aan appellant meege-deeld dat hij niet wordt geplaatst in een functie van zijn voorkeur noch in een andere functie. Appellant is hierbij als herplaatsingskandidaat in de zin van het Sociaal Beleidskader van de KNAW aangemerkt. Bij het bestreden besluit van 7 februari 2006 (besluit 1) heeft het bestuur het besluit van 27 juni 2005 na daartegen door appellant gemaakt bezwaar gehandhaafd.

1.3. Bij besluit van 21 maart 2006 heeft het bestuur appellant met toepassing van artikel 9.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de CAO-Onderzoekinstellingen 2003-2004 (CAO) met ingang van 1 juli 2006 ontslag uit zijn functie van senior specialist wetenschappelijke informatie verleend wegens opheffing daarvan. Bij het bestreden besluit van 12 september 2006 (besluit 2) heeft het bestuur het besluit van 21 maart 2006 na daartegen door appellant gemaakt bezwaar gehandhaafd, met dien verstande echter dat het ontslag, gelet op artikel 9.13, derde lid, van de CAO, ingaat één week na dagtekening van besluit 2.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen van appellant tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Besluit 1

3.1.1. Appellant heeft ook in hoger beroep een aantal grieven aangevoerd tegen de (procedurele) gang van zaken tijdens het gesprek dat hij heeft gehad met het PPT van het organisatieonderdeel Onderzoeksinformatie in verband met zijn belangstelling voor de functies redacteur A en specialist dataverwerking A. Wat dit betreft is de Raad evenwel met de rechtbank van oordeel dat niet gehandeld is in strijd met het Organisatie- en Implementatieplan Reorganisatie NIWI en stemt hij ook in met de overwegingen die de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd. Ook overigens acht de Raad van onzorgvuldig handelen geen sprake. Daarbij merkt hij nog op dat niet aannemelijk is dat tijdens het gesprek onvoldoende aandacht is besteed aan de functie redacteur A om de passendheid van deze functie voor appellant te kunnen beoordelen. Van belang is hierbij dat het PPT voor deze beoordeling niet uitsluitend afhankelijk was van het met appellant gehouden gesprek. De Raad wijst er verder op dat het PPT was samengesteld uit een leidinggevende, een medewerker van Personeelszaken, een externe deskundige en een waarnemer namens het personeel die door de ondernemingsraad was aangewezen. Deze laatste had uitdrukkelijk de rol gekregen toe te zien op de zorgvuldigheid van de afwegingen. Aan deze samenstelling van het PPT kan ook enige waarborg worden ontleend voor een afgewogen beoordeling.

3.1.2. Waar het gaat om de functie redacteur A, die niet passend voor appellant is geacht, heeft het bestuur vooral belang gehecht aan goede journalistieke vaardigheden. In deze functie moeten immers journalistieke bijdragen worden geleverd. Appellant beschikt op dit gebied niet over veel ervaring. In zijn oude functie lag de nadruk op het werken aan technische projecten. De externe deskundige van het PPT heeft enig redactioneel werk van appellant beoordeeld. Hij en met hem het PPT kwamen tot de conclusie dat appellant niet over de vereiste redactionele competenties beschikte. De Raad heeft in de beschik-bare gegevens geen grond kunnen vinden voor het oordeel dat deze conclusie onjuist is.

3.1.3. De functie specialist dataverwerking A is wel passend geacht voor appellant. Uit een oogpunt van communicatieve competenties is evenwel de voorkeur gegeven aan een andere kandidaat. Deze competenties zijn volgens het bestuur van vitaal belang voor een goede uitoefening van deze functie omdat de functionaris een intermediaire en coördinerende rol moet kunnen vervullen, onder andere ten aanzien van de documen-talisten in de betrokken sectie. Communicatie op de werkplek is een verbeterpunt voor appellant. Het PPT had er op grond van het met appellant gevoerde plaatsingsgesprek onvoldoende vertrouwen in dat de nodige verbetering op korte termijn zou kunnen worden bereikt, aldus het bestuur. Bij de hier aan te leggen terughoudende toetsing en gelet op het verslag van een met appellant in november 2004 gehouden functionerings-gesprek kan de Raad niet tot het oordeel komen dat het bestuur aan appellant de voorkeur boven een andere als meer geschikt beoordeelde kandidaat had behoren te geven voor plaatsing in de functie van specialist dataverwerking A.

3.2. Besluit 2

3.2.1. Alvorens appellant wegens opheffing van zijn functie is ontslagen, is hij overeen-komstig het Sociaal Plan NIWI begeleid bij het zoeken naar een andere betrekking. Dit is onder andere gebeurd door inschakeling van een outplacementbureau, gesprekken met een loopbaanadviseur, opleidingen en sollicitatiebegeleiding. Voor de stelling van appellant dat van een oprechte inspanning tot plaatsing geen sprake is geweest bieden de gedingstukken geen aanknopingspunt. Ook overigens heeft appellant niets aangevoerd dat tot het oordeel kan leiden dat besluit 2 onrechtmatig is genomen.

3.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

03.02