Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6111

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2009
Datum publicatie
16-03-2009
Zaaknummer
07-882 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Onvoldoende medische grondslag wegens onzorgvuldige voorbereiding. Geen grond om appellante niet te volgen in haar stelling dat op de datum in geding al sprake was van een carpaal tunnel syndroom beiderzijds. Geen aanknopingspunten gevonden om de FML van de datum in geding voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/882 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 januari 2007, 06/3287

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.A. Timmer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, aangevuld bij brief van 17 oktober 2007.

Het geding is aan de orde gesteld op de zitting van 19 september 2008, waar partijen - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen.

De Raad is tot het oordeel gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmede het onderzoek is heropend.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 30 januari 2009. Zoals aangekondigd is appellante niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen

A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 17 oktober 2005 heeft het Uwv de aan appellante toegekende WAO-uitkering met ingang van 6 december 2005 ingetrokken. Aan dit besluit liggen onder meer een verzekeringsgeneeskundige rapportage van 22 augustus 2005 en een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van deze datum ten grondslag. Appellante is beperkt geacht in verband met rechter schouder- en armklachten.

1.2. Bij besluit van 10 maart 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 oktober 2005 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv overwogen dat in verband met een geobjectiveerd carpaal tunnel syndroom (rechts) er aanleiding is geweest om ten aanzien van enkele hand belastende activiteiten een wat lagere belastbaarheid aan te nemen dan bij de primaire beoordeling is gebeurd. De FML is door een bezwaarverzekeringsarts hierop aangepast. Voorts heeft het Uwv overwogen dat van de oorspronkelijk aan appellante voorgehouden functies zij de functies van keukenverkoper, productiemedewerker confectie en productiemedewerker textiel, alsmede de reservefunctie van textielproductenmaker kan vervullen. Met de aan deze functies verbonden werkzaamheden kan zij een zodanig inkomen verwerven dat geen relevant arbeidsongeschiktheidspercentage resteert.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 10 maart 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van dit besluit niet voor onjuist gehouden.

3.1. In hoger beroep heeft appellante in hoofdzaak bestreden dat er slechts sprake is van een carpaal tunnel syndroom rechts. Onder verwijzing naar brieven van haar behandelend neuroloog van 18 mei 2006 en 27 november 2006 heeft zij gesteld dat er op 6 december 2005 sprake was van een carpaal tunnel syndroom beiderzijds. Hiermede is door het Uwv ten onrechte geen rekening gehouden.

3.2. Hierin heeft de Raad aanleiding gezien het Uwv te verzoeken om te bezien welke gevolgen aan het door appellante gestelde zouden moeten worden verbonden aan de schatting van haar arbeidsmogelijkheden per 6 december 2005.

3.3. Bij brief van 3 december 2008 heeft het Uwv onder verwijzing naar rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige uiteengezet dat, voorzover appellante moet worden gevolgd, er nog steeds sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid per 6 december 2005 van minder dan 15%. Hierbij heeft het Uwv overgelegd een aangepaste FML van 27 november 2008.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 22 augustus 2005 blijkt dat appellante destijds al heeft aangegeven nog onveranderd last te hebben van pijn rondom de schouders, doortrekkend naar de armen, rechts meer dan links. Destijds droeg zij op voorschrift van haar neuroloog een brace om haar rechterpols. Uit de brief van haar neuroloog van 18 mei 2006 blijkt dat een EMG op 18 april 2006 heeft uitgewezen dat er sprake is van een carpaal tunnel syndroom beiderzijds. In het licht van het in deze brief gestelde en gelet op de klachten die appellante op 22 augustus 2005 al uitte, ziet de Raad geen grond om appellante niet te volgen in haar stelling dat op 6 december 2005 al sprake was van een carpaal tunnel syndroom beiderzijds.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat de Raad de medische grondslag van het besluit van

10 maart 2006 niet voor juist houdt. Onder vernietiging van de aangevallen uitspraak zal de Raad dan ook het beroep van appellante tegen dit besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens een onzorgvuldige voorbereiding.

4.4. Dit neemt evenwel niet weg dat de Raad gelet op de door het Uwv bij zijn brief van

3 december 2008 overgelegde rapportages en de FML van 27 november 2008 termen aanwezig acht om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.

4.5. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om de FML van 27 november 2008 voor onjuist te houden. Voorzover appellante gevolgd moet worden in haar stelling dat zij de functie van productiemedewerker textiel niet kan vervullen in verband met de daarin voorkomende belasting op het aspect reiken, wijst de Raad erop dat in dat geval er nog drie functies resteren, waaronder de reservefunctie van textielproductenmaker. Uitgaande van de juistheid van de FML van 27 november 2008 heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellante deze drie resterende functies niet zou kunnen vervullen. Met het vervullen van deze functies kon zij op 6 december 2005 een zodanig inkomen verwerven dat op die datum geen relevant arbeidsongeschiktheidspercentage resteerde.

5. De Raad acht tot slot termen aanwezig het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep, welke kosten worden begroot op € 966,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 10 maart 2006;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

TM