Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6098

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
06-7336 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering.

Na intrekking WAO-uitkering vanuit WW melding toename arbeidsongeschiktheid. Geen onderzoek of sprake was van doorlopende arbeidsongeschiktheid. Onzorgvuldige voorbereiding en onvoldoende gemotiveerd besluit. Vernieting uitspraak. Proceskostenveroordeling. Opdracht aan het Uwv tot het nemen van een nieuw besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7336 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 november 2006, 06/636 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.J. den Braber, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 8 februari 2007 heeft mr. T.B.M. Kersten, advocaat te Veghel, zich gesteld als opvolgend gemachtigde van appellante.

Op 6 maart 2007 zijn aanvullende beroepsgronden ontvangen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, onder bijvoeging van een aantal nadere rapporten.

Desgevraagd heeft het Uwv bij brief van 16 juni 2008 naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 (LJN AY9971) en 23 februari 2007 (LJN AZ9153) een nader rapport van bezwaararbeidsdeskundige W.W.M. Strijbos van 22 mei 2008 ingediend.

Op dit rapport heeft appellante bij faxbericht van 21 juli 2008 gereageerd. Het Uwv heeft daarop bij brief van 15 december 2008 een nader rapport van Strijbos van 12 december 2008 ingestuurd.

Bij faxberichten van 19 december 2008 en 6 januari 2009 heeft appellante nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2009. Appellante is niet verschenen, terwijl het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante meldde zich met ingang van 21 mei 1990 arbeidsongeschikt aanvankelijk wegens zwangerschap en bevalling en later wegens schouder- en nekklachten vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet (WW). Een rechtsvoorgangster van het Uwv, de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, heeft aan appellante met ingang van 18 mei 1991 een uitkering ingevolge onder andere de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is nadien voortgezet.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is op 26 april 2005 door de verzekeringsarts in opleiding T.C.M. de Witte, bij wie appellante op het spreekuur verscheen, een rapport opgemaakt. Deze arts concludeerde op basis van het dossier, anamnese, psychisch en lichamelijk onderzoek, dat appellante beperkt belastbaar was. De beperkingen legde De Witte neer in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 april 2005. Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding vervolgens vastgesteld dat er geen sprake was van enig verlies van verdienvermogen. Hierna trok het Uwv bij besluit van 9 juni 2005 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 9 augustus 2005 in.

1.3. In bezwaar meldde appellante tijdens de op 27 september 2005 gehouden hoorzitting dat zij in verband met toenemende pijn in het linkerbeen die ze sinds meer dan een jaar had, weer naar de huisarts was gegaan. De huisarts verwees haar naar neuroloog Van Ham. Deze constateerde beginnende slijtage en een beginnende HNP in de onderrug en verwees haar naar de neurochirurg Verheul om eventuele operatieve opties te bezien.Bezwaarverzekeringsarts Debie verrichtte na afloop van de hoorzitting een lichamelijk onderzoek bij appellante. In zijn rapport van 7 oktober 2005 concludeerde Debie dat er ten opzichte van de eerdere onderzoeksbevindingen van De Witte met betrekking tot de medische situatie van appellante geen nieuwe gezichtspunten naar voren waren gekomen die aanleiding zouden geven de medische grondslag van het besluit van 9 juni 2005 onjuist te achten. Hij achtte het niet nodig de door appellante opgevraagde informatie van de specialisten af te wachten. De bezwaararbeidsdeskundige Strijbos rapporteerde op 13 december 2005 nader over de geschiktheid van de voor de schatting gebruikte functies, waarna het Uwv bij besluit van 4 januari 2006 het bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2005 ongegrond verklaarde.

2. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv de medische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid niet had onderschat en dat er onvoldoende grond was voor de stelling dat in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voorkomende belasting de belastbaarheid van appellante werd overschreden. Omdat het Uwv eerst in beroep nog een tweetal essentiële aanvullingen door zowel de bezwaarverzekeringsarts als de bezwaararbeidsdeskundige had gegeven, verklaarde de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 4 januari 2006 (hierna: het bestreden besluit) gegrond, vernietigde dit besluit, doch bepaalde tevens dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden worden gelaten. Ten slotte gaf zij aanvullende beslissingen over de vergoeding van griffierecht en proceskosten.

3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij op vele punten ernstiger beperkt is te achten dan in de FML van 26 april 2005 is neergelegd. Voorts heeft zij er op gewezen dat het Uwv haar met ingang van 22 februari 2006 weer een WAO-uitkering heeft toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellante ziet niet in waarom het Uwv haar in de periode van 9 augustus 2005 tot 22 februari 2006 niet arbeidsongeschikt acht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Na de intrekking van de WAO-uitkering per 9 augustus 2005 heeft appellante zich op 25 januari 2006 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de WW toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. In het naar aanleiding van deze melding door De Witte op 7 juli 2006 opgestelde rapport is vermeld dat appellante op 5 april 2006 een HNP-operatie heeft ondergaan wegens een radiculair syndroom links, waarvan zij sinds september 2005 klachten heeft. In verband met persisterende pijnklachten na deze HNP-operatie is appellante door de huisarts voor een second opinion verwezen naar een neuroloog. De Witte concludeerde uit zijn onderzoeksbevindingen dat vanaf 25 januari 2006 sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid en dat de Amber-wetgeving van toepassing was. Na arbeidskundige beoordeling heeft het Uwv bij besluit van 22 februari 2007 aan appellante met ingang van 22 februari 2006 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na medische en arbeidskundige herbeoordeling is door het Uwv bij besluit van 31 mei 2007 de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld.

4.2. De Raad stelt vast dat appellante reeds ten tijde van het onderzoek door De Witte in april 2005 melding heeft gemaakt van klachten in haar onderrug en dat zij deze klachten ook in bezwaar bij bezwaarverzekeringsarts Debie naar voren heeft gebracht. Daarbij heeft appellante er nadrukkelijk op gewezen dat zij door haar huisarts was doorverwezen naar een neurochirurg om de mogelijkheden van een operatie te bezien, welke operatie ook daadwerkelijk op 5 april 2006 heeft plaatsgevonden.

4.3. Het Uwv heeft in de hiervoor onder 4.1 en 4.2 vermelde feiten en omstandigheden blijkbaar geen aanleiding gezien te onderzoeken of in dit geval wellicht sprake was van doorlopende arbeidsongeschiktheid. In dit verband is ook niet onderzocht of wellicht sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 39 dan wel artikel 47 van de WAO. Daarbij heeft de Raad in het bijzonder tevens in aanmerking genomen dat De Witte in zijn in 4.1 genoemde rapport vermeldde dat appellante sinds september 2005, dus zeer kort na de datum in geding (9 augustus 2005) klachten had wegens een radiculair syndroom links en dat Debie in zijn in 1.3 genoemde rapport van 7 oktober 2005 aangaf dat appellante sinds meer dan een jaar toenemende pijn in het linkerbeen had.

4.4. Gelet op het onder 4.1- 4.3 overwogene, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd, zodat het wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Met uitzondering van daarin gegeven beslissingen over de vergoeding van griffierecht en proceskosten, zal de Raad ook de aangevallen uitspraak vernietigen, nu de Raad tot een geheel andere inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit is gekomen dan de rechtbank. Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad.

5. Ten slotte acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens de daarin gegeven beslissingen over de vergoeding van griffierecht en proceskosten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Draagt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR