Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6094

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2009
Datum publicatie
16-03-2009
Zaaknummer
07-1483 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten voor de stelling van appellante dat de verzekeringsarts te geringe beperkingen heeft vastgesteld. Uit het feit dat bijna twee jaar na de in geding zijnde datum een zogeheten WSW-indicatie is vastgesteld, kan naar het oordeel van de Raad niet worden afgeleid dat ten tijde van de ter beoordeling staande WAO-schatting functies op de vrije arbeidsmarkt buiten het bereik van appellante lagen. De criteria die worden aangelegd bij een WSW-beoordeling zijn niet dezelfde als die gelden bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ingevolge de WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1483 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 31 januari 2007, 06/3640

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C. Brouwer-Morren, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben hun standpunten met nader ingezonden stukken onderbouwd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2009. Appellante en haar gemachtigde zijn – met voorafgaand bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Lavrijsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 9 november 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 10 januari 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Aan deze herziening lag de overweging ten grondslag dat appellante met inachtneming van haar beperkingen in staat kan worden geacht met gangbare arbeid een zodanig inkomen te verwerven dat haar arbeidsongeschiktheid nog 38,38% bedraagt.

1.2. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard bij besluit van 28 juni 2006 (hierna: bestreden besluit).

2. Namens appellante werd beroep ingesteld. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat de (bezwaar)verzekeringsartsen de beperkingen van appellante niet juist hebben vastgesteld. De rechtbank acht de geschiktheid van de geselecteerde functies voldoende toegelicht. Een nieuwe berekening door de bezwaararbeidsdeskundige van de mate arbeidsongeschiktheid van appellante van 42,29% op basis van een maatgevende arbeidsomvang van 40 uur per week was voor de rechtbank aanleiding het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

3. In hoger beroep heeft appellante alle in bezwaar en beroep ingenomen standpunten gehandhaafd en onder verwijzing naar de door haar ingebrachte rapportages van Arbeids Psychologisch Advies (hierna: APA) en Arbeidskundig bureau Radar, waarin is vermeld dat zij behoort tot de doelgroep van de WSW, betoogd dat zij meer beperkingen heeft voor het verrichten van arbeid dan waarvan het Uwv is uitgegaan en dat daarom de geselecteerde functies niet geschikt zijn.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de stelling van appellante dat de verzekeringsarts te geringe beperkingen heeft vastgesteld.

4.2. In verband met de klachten, die appellante ervaart in haar cognitief en lichamelijk functioneren, heeft de verzekeringsarts aangenomen dat zij beperkt is in concentratie en verdelen van aandacht en voor hoge belasting van de nek- en schoudergordel. Met de vastlegging van de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 september 2005 heeft de verzekeringsarts tot uitdrukking gebracht dat appellante is aangewezen op werk met een duidelijke structuur en afgebakende taken in een niet lawaaiige of prikkelrijke omgeving en werk waarin een afwisseling van houding mogelijk is zonder zwaar tillen, veelvuldig duwen, trekken , kracht zetten en langdurig boven schouderhoogte werken. Een urenbeperking heeft de verzekeringsarts niet noodzakelijk geacht. De bezwaarverzekeringsartsen hebben de conclusie van de verzekeringsarts bevestigd en evenmin voor een urenbeperking aanleiding gezien.

4.3. Appellante heeft geen medische informatie ingebracht die de Raad aan de juistheid van de FML doet twijfelen. De onderzoekers van APA onderschrijven in de conclusie van hun rapportage in grote lijnen de FML. Dat zij arbeid met een beperkte duurbelasting adviseren is naar het oordeel van de Raad niet voldoende om onjuist te achten dat de verzekeringsarts een urenbeperking in de FML achterwege liet. Het onderzoek van APA was immers niet gericht op het vaststellen van beperkingen als ter beoordeling in het kader van een WAO-schatting en niet staat vast dat de onderzoekers hun opvatting over de duurbeperking hebben getoetst aan de voorwaarden die bij een WAO-schatting gelden voor het aannemen van een urenbeperking. Verder stelt de Raad vast dat de conclusie dat appellante met de door de onderzoekers waargenomen energetische beperking niet inzetbaar is op het tijdens het onderzoek behaalde niveau, niet uitsluit dat zij op MBO-niveau of lager gedurende hele dagen zal kunnen functioneren.

4.4. Uit het feit dat bijna twee jaar na de in geding zijnde datum van 10 januari 2006 een zogeheten WSW-indicatie is vastgesteld, kan naar het oordeel van de Raad niet worden afgeleid dat ten tijde van de ter beoordeling staande WAO-schatting functies op de vrije arbeidsmarkt buiten het bereik van appellante lagen. Zoals de Raad vele malen heeft overwogen zijn de criteria die worden aangelegd bij een WSW-beoordeling niet dezelfde als die gelden bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ingevolge de WAO.

4.5. Het oordeel van de rechtbank dat de (bezwaar)arbeidsdeskundigen de passendheid van de aan appellante voorgehouden functies voldoende hebben toegelicht en dat het berekende verlies aan verdienvermogen, ook na aanpassing van de omvang van de maatgevende arbeid, leidt tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%, wordt door de Raad gevolgd.

4.6. Met de rapportages van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen is voldoende aannemelijk geworden dat het in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies mogelijk is om lopen en staan ruim af te wisselen met zitten. In haar opvatting dat niet wordt voldaan aan de door de verzekeringsarts gestelde eis van afwisseling van houding volgt de Raad appellante niet. De Raad stelt tenslotte vast dat uit de Arbeidsmogelijkhedenlijst blijkt dat het opleidingsniveau benodigd voor het vervullen van de geselecteerde functies niet hoger dan VMBO-niveau is en daarmee ruim ligt onder het in relatie tot een beperkte duurbelasting door APA genoemde niveau.

4.7. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van Y. Bouchikhi als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) Y. Bouchikhi.

KR