Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6093

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2009
Datum publicatie
16-03-2009
Zaaknummer
07-2311 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Anders dan de rechtbank, komt de Raad tot het oordeel dat appellant ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het na de hoorzitting uitgebrachte advies van psychiater, alvorens op zijn bezwaar werd beslist. De Raad ziet hierin aanleiding de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:9 van de Awb. Juiste vaststelling belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2311 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 maart 2007, 06/2659

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H. Samama, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Nadien heeft het Uwv nog een rapport ingediend.

Naar aanleiding van de reactie van mr. Samama heeft het Uwv nog een kort rapport ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2009. Namens appellant is mr. Samama verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, voorheen werkzaam als agrarisch medewerker, heeft vanaf juni 2004 een uitkering ontvangen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vanwege psychische klachten.

1.2. Bij besluit van 9 mei 2005 heeft het Uwv de uitkering, die was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 4 juli 2005 ingetrokken.

1.3. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij het besluit van 13 maart 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het hiertegen door appellant ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep tegen deze uitspraak voert appellant aan dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van de belastbaarheid, zoals deze door het Uwv is vastgesteld, en van de geschiktheid van de in aanmerking genomen functies. Daarbij heeft de rechtbank volgens appellant miskend dat het door de bezwaarverzekeringsarts ingewonnen advies van psychiater Van Ittersum van 13 februari 2006 dient te worden beschouwd als een nieuw feit als bedoeld in artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat dit - zoals hij in beroep heeft gesteld - aan hem had moeten worden toegezonden en hij hierover had moeten worden gehoord.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Op grond van artikel 7:9 van de Awb wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor het op het bezwaar te nemen besluit van aanmerkelijk belang kunnen zijn, deze aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord. De Raad overweegt dat het na de hoorzitting uitgebrachte advies van psychiater Van Ittersum, dat mede is gebaseerd op diens persoonlijke onderzoek van appellant zelf en een eigen diagnose, een belangrijke rol heeft kunnen spelen bij de totstandkoming van het besluit van 13 maart 2006. Anders dan de rechtbank, komt de Raad daarom tot het oordeel dat appellant ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om daarop te reageren alvorens op zijn bezwaar werd beslist. De Raad ziet hierin aanleiding de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:9 van de Awb. De Raad zal beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten.

4.2. Inhoudelijk betoogt appellant dat bij het opstellen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) te weinig rekening is gehouden met zijn psychische beperkingen. Daartoe heeft hij onder andere gewezen op de informatie die psychiater Jessurun, bij wie hij vanaf juli 2005 onder behandeling was, in oktober 2005 aan de bezwaarverzekeringsarts heeft verstrekt, alsmede op informatie die Jessurun tijdens de beroepsfase in mei 2006 aan zijn gemachtigde heeft verstrekt. Hierin is vermeld dat appellant lijdt aan een recidiverende depressieve stoornis en dat psychiater Van Ittersum in zijn advies aan het Uwv ten onrechte twijfelt aan het bestaan van een invaliderend psychiatrisch ziektebeeld. Jessurun wijst erop dat de gesignaleerde discrepantie tussen de klachten en de presentatie van appellant (wiens GAF-score naar zijn oordeel 45 bedraagt) het gevolg is van diens nerveuze en onnatuurlijke gedrag en niet van doen heeft met een voorgewende stoornis, zoals door Van Ittersum wordt overwogen. Dienaangaande stelt de Raad vast dat de primaire verzekeringsarts appellant toen al had onderzocht en consistente stoornissen, beperkingen en handicaps op psychisch gebied had waargenomen. Omdat appellant goed was ingesteld op medicatie, is deze arts tot de conclusie gekomen dat appellant met in achtneming van die bevindingen in staat is tot het verrichten van arbeid, op voorwaarde dat het volledig voorgestructureerd werk betreft, hij weinig verantwoordelijkheid heeft, niet hoeft om te gaan met problemen van anderen of met conflictsituaties en in een rustig gemiddeld tempo kan werken. Hiertoe heeft de verzekeringsarts in de FML diverse beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren opgenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft, na bestudering van het dossier en met in achtneming van de nieuwe medische rapporten, waaronder die van Jessurun en Van Ittersum, geen nieuwe feiten of omstandigheden aanwezig geacht en de FML gehandhaafd. De Raad ziet, mede gelet op de inhoud van bedoelde rapporten, geen aanleiding om te veronderstellen dat met de handhaving van de eerder vastgestelde beperkingen te weinig rekening is gehouden met het ziektebeeld van appellant. Beide verzekeringsartsen hebben voldoende toegelicht waarop hun eigen (verzekeringsgeneeskundig) oordeel over de belastbaarheid van appellant is gebaseerd. Deze belastbaarheid heeft voorts een correcte vertaling gekregen in de FML.

4.3. Wat betreft de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid die daarop is gevolgd stelt de Raad vast dat de functies van productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180), inpakker (Sbc-code 111190) en productiemedewerker textiel, geen kleding (Sbc-code 272043) daartoe zijn gehanteerd. Met betrekking tot deze functies is de Raad, mede gelet op de aanvullende toelichtingen van de bezwaararbeidsdeskundige, niet gebleken dat deze de belastbaarheid of het opleidingsniveau van appellant te boven gaan. De verdiencapaciteit die voortvloeit uit deze functies leidt in vergelijking met het maatmaninkomen tot een loonverlies van ruim 3%, zodat de uitkering per 4 juli 2005 terecht is ingetrokken.

4.4. Gelet op het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 13 maart 2006 geheel in stand kunnen blijven.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant voor de in beroep en in hoger beroep verleende rechtsbijstand tot een bedrag van in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 maart 2006 gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 13 maart 2006 geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van Y. Bouchikhi als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) Y. Bouchikhi.

GdJ