Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2009
Datum publicatie
16-03-2009
Zaaknummer
07-3635 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering te heropenen. Geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. verzekeringsgeneeskundige onderzoek uitgevoerd door een arts, niet zijnde een geregistreerde verzekeringsarts. Dit gebrek is in de bezwaarfase hersteld. Overtuigend gemotiveerd waarom een nader onderzoek of het opvragen van informatie bij een behandelaar bij een zo duidelijke beperking overbodig is. Met inachtneming van de functionele mogelijkheden is betrokkene terecht in staat geacht tot het verrichten van passende arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3635 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2007, 06/1059

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 13 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitvoeriger overzicht van de voor deze zaak relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het navolgende.

1.2. In verband met psychische klachten is aan betrokkene met ingang van 26 september 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 13 februari 2003 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per die datum is afgenomen naar minder dan 15%. Op 2 maart 2004 is betrokkene slachtoffer geworden van mishandeling.In verband daarmee heeft betrokkene zich bij brief van 20 oktober 2004 toegenomen arbeidsongeschikt als bedoeld in artikel 43a van de WAO gemeld. Bij besluit van 11 mei 2005 heeft het Uwv geweigerd de WAO-uitkering van betrokkene te heropenen, omdat na 2 maart 2004 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid.Het door betrokkene tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 februari 2006 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en bepalingen gegeven met betrekking tot griffierecht en proceskosten. Kort samengevat heeft de rechtbank daarbij geoordeeld dat bezwaarverzekeringsarts mr. W. Ebbelaar in de aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 16 december 2005 voldoende rekening heeft gehouden met de bevindingen van de op haar verzoek verrichte psychiatrische expertise.Met betrekking tot de lichamelijke (schouder)klachten heeft de rechtbank vastgesteld dat het primaire medische onderzoek is verricht door de arts P. Kalshoven, niet-zijnde een geregistreerde verzekeringsarts. Naar het oordeel van de rechtbank is dit gebrek in bezwaar niet hersteld. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat Ebbelaar in de bezwaarfase weliswaar een psychiatrische expertise heeft laten verrichten, maar op het punt van de lichamelijke (schouder)klachten geen eigen medisch onderzoek heeft verricht.Aldus is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek heeft plaatsgevonden door een arts, maar dat dit gebrek in bezwaar is hersteld door het onderzoek van Ebbelaar. Ter onderbouwing van het hoger beroep heeft appellant gewezen op de uitspraken van de Raad van 18 juli 2007 (LJN BA9904, LJN BA9908, LJN BA9910) en een rapport van Ebbelaar van 26 juli 2007 ingezonden.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. In dit geval heeft het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek plaatsgevonden door een arts, niet zijnde een geregistreerde verzekeringsarts. In de hiervoor genoemde uitspraken heeft de Raad als zijn oordeel uitgesproken dat aan een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts niet dezelfde waarde kan worden toegekend als aan een onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts. Een dergelijk gebrek kan naar het oordeel van de Raad in de bezwaarfase worden hersteld.

5.2. De Raad acht het gebrek in dit geval hersteld door het onderzoek van Ebbelaar. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd, betrokkene gezien en gehoord tijdens de hoorzitting, informatie ingewonnen bij behandelend sector, een psychiatrische expertise gevraagd, rekening gehouden met de uitkomsten daarvan en de eerder opgestelde FML herzien en beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. De door Kalshoven aangenomen - en door betrokkene in bezwaar niet betwiste - beperking ten aanzien van het boven schouder actief zijn heeft Ebbelaar gehandhaafd.

5.3. Naar het oordeel van de Raad geven de rapporten van Ebbelaar van 10 januari 2006 en 30 juni 2006 blijk van een zorgvuldige inventarisatie van betrokkenes klachten en beperkingen, welke met inachtneming van de beschikbare informatie ook zonder een nader lichamelijk onderzoek op waarde kon worden geschat.

5.4. Verder heeft deze bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 26 juli 2007 overtuigend gemotiveerd waarom een nader onderzoek door haar of het opvragen van informatie bij een behandelaar bij een zo duidelijke beperking overbodig is.

5.5. Nu betrokkene voorts geen medische gegevens in geding gebracht die een ander licht werpen op zijn medische situatie op en na 2 maart 2004, ziet de Raad geen reden om te twijfelen aan de door de Ebbelaar getrokken conclusie.

5.6. De Raad kan zich derhalve niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is verricht.

5.7. Met inachtneming van de functionele mogelijkheden is betrokkene terecht in staat geacht tot het verrichten van passende arbeid. Vergelijking van het voor betrokkene geldende maatmaninkomen met het loon dat betrokkene nog kan verdienen met de voor hem passend te achten werkzaamheden resulteert in en mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, zo blijkt uit de rapporten van bezwaararbeidsdeskundige M.N.J. Kollaard van 26 januari 2006 en 4 oktober 2006. Van toegenomen arbeidsongeschiktheid is derhalve geen sprake.

6. Gelet op hiervoor onder 5.1 tot en met 5.7 is overwogen komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van Y. Bouchikhi als griffier, Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) Y. Bouchikhi.

CVG