Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6077

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
16-03-2009
Zaaknummer
06-5790 WAO en 06-7226 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moet het Uwv ook 70% van het doorbetaalde loon, althans het minimumloon, aan de werkgever vergoeden? Heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat de werkgever, ter beperking van de schade, eerst werkneemster dient aan te spreken voor de terugbetaling van het over de loonsanctieperiode doorbetaalde loon, voor zover zij over die periode tevens een WW-uitkering heeft ontvangen?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/122
ABkort 2009/168
USZ 2009/105
JB 2009/119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5790 WAO en 06/7226 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 augustus 2006, 06/1107 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 25 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2008. Appellant heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. L. Bosma. Betrokkene is (met bericht) niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 5 april 2004 heeft appellant aan betrokkene een (verlengde) loondoorbetalingsverplichting van vier maanden opgelegd ten aanzien van haar werkneemster [werkneemster]. Dit tijdvak omvatte de periode van 3 juni 2004 tot en met 3 oktober 2004. Bij besluit van 16 augustus 2004 is het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 5 april 2004 ongegrond verklaard.

1.2. Bij uitspraak van 31 maart 2005 heeft de rechtbank het hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 16 augustus 2004 vernietigd. Hierbij is appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.3. Bij besluit van 31 mei 2005 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 5 april 2004 alsnog gegrond verklaard en dit besluit herroepen.

1.4. Namens betrokkene is bij brief van 7 juli 2005 verzocht om vergoeding van de als gevolg van het besluit van 5 april 2004 geleden schade. Hierbij is een bedrag van € 3.738,44 aan loonkosten gevorderd en een bedrag van € 550,-- aan hiermee samenhangende kosten, zijnde accountantskosten, telefoon/fax/portikosten, een kilometervergoeding en kosten in verband met de gevoerde bezwaar- en beroepsprocedure.

1.5. Bij besluit van 6 september 2005 is het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het namens betrokkene hiertegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 9 februari 2006 (besluit I) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit I gegrond verklaard en het besluit vernietigd. In dit kader heeft de rechtbank onder meer overwogen dat betrokkene in aanmerking komt voor vergoeding van het totaal gevorderde bedrag aan schade ad € 4.288,44. Hierbij is appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3. Hangende hoger beroep heeft appellant bij besluit van 14 december 2006 (besluit II) besluit I ingetrokken. In dit kader heeft appellant zich op het standpunt gesteld niet aansprakelijk te zijn voor de geleden schade, maar uit overwegingen van coulance bereid te zijn de geleden schade te vergoeden tot 70% van het doorbetaalde loon, vermeerderd met de daarbij behorende werkgeverslasten. Indien en voor zover de werknemer over de loonsanctieperiode alsnog een uitkering heeft ontvangen, dient de werkgever ter beperking van de schade eerst de werknemer aan te spreken voor de (terug)betaling van het loon. Dit betekent dat, nu werkneemster [werkneemster] over de loonsanctieperiode alsnog een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft ontvangen, aan gedaagde een bedrag van € 50,58 wordt vergoed, zijnde het verschil tussen 70% van het brutoloon ad € 2.278,08 en de door werkneemster [werkneemster] alsnog ontvangen WW-uitkering ad € 2.227,50 bruto. Daarnaast is het Uwv bereid de werkgeverslasten over 70% van het doorbetaalde loon te vergoeden ad € 485,96. De met de loonkosten samenhangende kosten ad € 550,-- komen volgens appellant niet voor vergoeding in aanmerking. De kosten van bezwaar ad € 322,-- worden wel vergoed.

4. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat zij naar aanleiding van het besluit van 5 april 2004 aan werkneemster [werkneemster] over de periode van 3 juni 2004 tot en met 3 oktober 2004 het volledige loon heeft doorbetaald. Nu deze loondoorbetaling - naar achteraf is gebleken - onverschuldigd heeft plaatsgevonden, dienen 100% van het doorbetaalde loon en de hiermee samenhangende kosten te worden vergoed.

5. Bij brief van 19 november 2008 heeft appellant zijn standpunt (nogmaals) gewijzigd. In dit kader heeft appellant erkend in beginsel schadeplichtig te zijn, voor zover het betreft de uit de inmiddels gevormde jurisprudentie van de Raad voortvloeiende verplichting tot vergoeding van 70% van het doorbetaalde loon, althans het wettelijk minimumloon, vermeerderd met de daarbij behorende werkgeverslasten. Hierbij heeft appellant zijn reeds eerder ingenomen standpunt dat de werkgever ter beperking van de schade eerst de werknemer zal moeten aanspreken voor de terugbetaling van het loon, indien en voor zover de werknemer over de loonsanctieperiode ook een uitkering heeft ontvangen, gehandhaafd. Appellant heeft dit standpunt met een beroep op de uit artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voortvloeiende verplichting van een benadeelde tot beperking van de schade nader onderbouwd. Daarbij heeft appellant zich bereid verklaard het eventuele procesrisico van de werkgever te willen dragen.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Aangezien besluit II is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak ziet de Raad aanleiding dit besluit, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bij het geding in hoger beroep te betrekken.

6.2. Nu appellant bij brief van 19 november 2008 heeft erkend in beginsel schadeplichtig te zijn, is (ook) de grondslag aan besluit II komen te ontvallen. Dit betekent dat besluit II (eveneens) voor vernietiging in aanmerking komt. De vraag rijst vervolgens of de rechtsgevolgen van dit te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel of gedeeltelijk in stand kunnen blijven. In dit kader heeft de Raad het volgende overwogen.

6.3. Bij de toetsing van een zelfstandig schadebesluit als het onderhavige zoekt de Raad aansluiting bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. In zijn uitspraken van 27 augustus 2008 (zie onder meer LJN BE9377), heeft de Raad onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie overwogen dat een overheidsorgaan, wanneer een door dit orgaan genomen besluit achteraf wegens strijd met een wettelijke bepaling onrechtmatig blijkt te zijn en dit besluit wordt herroepen, jegens de betrokkene een onrechtmatige daad heeft begaan, waarmee de schuld van het overheidsorgaan in beginsel is gegeven. Voorts heeft de Raad overwogen dat de loonschade die ontstaat als een gevolg van de onverschuldigde loondoorbetaling aan het onrechtmatige besluit dient te worden toegerekend en dat op het Uwv in beginsel de verplichting rust om die schade te vergoeden. Vervolgens heeft de Raad, met inachtneming van het bepaalde in artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) juncto artikel 7:629, eerste lid, van het BW, geoordeeld dat in beginsel niet 100%, maar 70% van het als een gevolg van het onrechtmatige besluit doorbetaalde loon, althans het minimumloon, aan het Uwv dient te worden toegerekend.

6.4. Appellant heeft erkend dat in beginsel 70% van het door gedaagde naar aanleiding van het onrechtmatige besluit van 5 april 2004 aan werkneemster [werkneemster] doorbetaalde loon, althans het minimumloon, aan hem kan worden toegerekend. Voorts heeft appellant erkend dat hij 70% van de daarbij behorende werkgeverslasten aan betrokkene dient te vergoeden.

6.5. De Raad ziet zich in dit geding derhalve gesteld voor de vraag of appellant ook 70% van het doorbetaalde loon, althans het minimumloon, aan betrokkene dient te vergoeden. In het verlengde hiervan rijst de vraag of appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat gedaagde, ter beperking van de schade, eerst werkneemster [werkneemster] dient aan te spreken voor de terugbetaling van het over de loonsanctieperiode doorbetaalde loon, voor zover zij over die periode tevens een WW-uitkering heeft ontvangen.

6.6. De Raad onderschrijft het hiervoor onder 6.5 weergegeven standpunt van appellant. Naar uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt, heeft betrokkene het loon over de loonsanctieperiode onverschuldigd (door)betaald aan haar werkneemster [werkneemster]. Hieruit volgt dat betrokkene een vordering uit onverschuldigde betaling had (en heeft) op deze werkneemster, als bedoeld in artikel 6:203 BW. Met het instellen van een dergelijke vordering had betrokkene de nadelige gevolgen van het besluit van 5 april 2004 ten dele ongedaan kunnen maken. De Raad is van oordeel dat, nu werkneemster [werkneemster] over de loonsanctieperiode tevens een WW-uitkering heeft ontvangen, het instellen van een dergelijke vordering in redelijkheid van betrokkene kon (en kan) worden verlangd. Daarbij heeft de Raad doorslaggevend geacht dat in de betreffende periode sprake is van dubbele inkomsten voor deze werkneemster. Het vorenstaande brengt in het licht van het in artikel 6:101 van het BW bepaalde met zich dat de schade van betrokkene - in zoverre - het gevolg is van omstandigheden die aan haar moeten worden toegerekend. De Raad is van oordeel dat onder deze omstandigheden de vergoedingsplicht van appellant in zoverre vervalt.

6.7. De Raad hecht er aan bij het vorenstaande - ten overvloede - op te merken dat appellant zich in zijn brief van 19 november 2008 bereid heeft verklaard het, aan het instellen van de hiervoor onder 6.6 bedoelde vordering verbonden, procesrisico van betrokkene te willen dragen.

6.8. Betrokkene heeft onder verwijzing naar twee facturen van 20 juni 2005 en 24 juni 2005 gesteld dat haar accountant extra werkzaamheden heeft moeten verrichten terzake van de afhandeling van het loon aan de werkneemster over de loonsanctieperiode, waarvoor aan haar een bedrag van € 404,60 in rekening is gebracht. De Raad is van oordeel dat de geclaimde accountantskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkene deze kosten als een gevolg van het besluit van 5 april 2004 heeft gemaakt.

6.9. De door betrokkene geclaimde telefoon/fax/portikosten en de kilometervergoeding zijn niet onderbouwd en komen naar het oordeel van de Raad reeds om die reden evenmin voor vergoeding in aanmerking. Voor verleende rechtsbijstand in bezwaar en beroep zijn voorts reeds vergoedingen toegekend.

6.10. Hetgeen in 6.1 tot en met 6.9 is overwogen leidt tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit II in stand kunnen blijven.

7. De aangevallen uitspraak, waarbij besluit I is vernietigd, komt voor bevestiging in aanmerking, zij het met verbetering van gronden.

8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit II gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit II in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de pro-ceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoe-ringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.L. de Gier.

CVG