Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6072

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
06-6330 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Bij nader besluit wegens gewijzigde berekening van het maatmaninkomen, herziening naar 25-35%. Herbeoordeling tijdens zwangerschap. Een verzekeringsarts is voldoende in staat een inschatting te maken van de beperkingen die wel en niet aan de zwangerschap gerelateerd zijn. Bezoek aan de arbeidsdeskundige, acht weken na de bevalling, is verenigbaar met het beoogde rustig en ongestoord genot van het bevallingsverlof. De aanvang van de uitlooptermijn tijdens het bevallingsverlof moet rechtens ongeoorloofd worden geacht. Tijdens haar bevallingsverlof kan van appellante niet gevergd worden zich te oriënteren op de arbeidsmarkt en op haar verdienvermogen. Het samenvallen van een deel van de uitlooptermijn met het bevallingsverlof, waardoor een kortere periode dan de vereiste twee maanden overblijft waarin zij zich kan instellen op haar nieuwe inkomenspositie, is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Aanzegging van de herziening van de uitkering had moeten plaatsvinden na het bevallingsverlof.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Wet arbeid en zorg
Wet arbeid en zorg 3:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/154
NJB 2009, 659
USZ 2009/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6330 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2006, 05/554 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.J. Dennekamp, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nog nadere stukken aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Dennekamp voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.S. van ’t Oor.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen ten einde nadere vragen voor te leggen aan het Uwv.

Bij brief van 13 oktober 2008 heeft het Uwv de vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 23 oktober 2008. Namens appellante is verschenen mr. Dennekamp, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van ’t Oor, voornoemd en mr. M.C.F.M. Mollee.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren op [geboortedatum], is in oktober 1996 uitgevallen voor haar werk als verkoopster damesmode als gevolg van een whiplash syndroom. In verband hiermee is aan haar een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 10 juli 2004 heeft het Uwv de aan appellante toegekende WAO-uitkering per 27 juli 2004 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 15% zou bedragen. Aan dit besluit ligt een rapportage d.d. 9 februari 2004 van de verzekeringsarts ten grondslag waaruit blijkt dat de medische situatie van appellante verbeterd is en dat haar beperkingen, met name op energetisch en psychisch gebied, ten opzichte van het laatste onderzoek zijn afgenomen. Wat betreft de fysieke belastbaarheid van appellante heeft de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) met name beperkingen vastgesteld ten aanzien van het langdurig in dezelfde houding zitten en lang staan of lang achter een beeldscherm zitten, alsmede voor werken boven schouderhoogte omdat dan de nekklachten kunnen opspelen. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens op 26 mei 2004 gerapporteerd dat appellante niet geschikt kan worden geacht voor haar eigen werk, maar dat zij met inachtneming van de vastgestelde beperkingen geschikt is voor een aantal functies, leidend tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 0%. Bij schrijven van 26 mei 2004 is aan appellante aangezegd dat haar arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 27 juli 2004 (zijnde twee maanden en één dag na datum dagtekening van deze brief) dient te worden beëindigd.

1.3. Naar aanleiding van het namens appellante tegen dit besluit aangevoerde bezwaar heeft het Uwv een nader onderzoek laten verrichten door een bezwaarverzekeringsarts die, na kennisneming van de namens appellante overgelegde medische informatie, tot de slotsom is gekomen dat er aanleiding bestaat tot herziening van de medische grondslag waarop het besluit van 10 juli 2004 berust, in die zin dat de FML nog dient te worden aangevuld met enkele beperkingen met betrekking tot de nekklachten. De nadere arbeidskundige beoordeling heeft geleid tot een verlies aan verdiencapaciteit van 6,8% zodat het besluit van 10 juli 2004 wordt gehandhaafd.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 13 december 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

1.5. Naar aanleiding van het tegen dat besluit ingestelde beroep bij de rechtbank heeft het Uwv, onder intrekking van het besluit van 13 december 2004, een nieuwe beslissing op bezwaar van 2 juni 2005 genomen waarin op grond van een gewijzigde berekening van het maatmaninkomen de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid per 27 juli 2004 wordt herzien en nader vastgesteld op 25 tot 35%.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede gericht geacht tegen het besluit van 2 juni 2005. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 13 december 2004 niet-ontvankelijk geacht en het beroep tegen het besluit van 2 juni 2005 gegrond verklaard. Het besluit van 2 juni 2005 is vernietigd omdat het niet voldoet aan de motiveringsvereisten die ingevolge de vaste jurisprudentie van deze Raad aan het besluit gesteld moeten worden. Hierbij is tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft hiertoe - kort gezegd - overwogen dat het medisch onderzoek dat aan het besluit van 2 juni 2005 ten grondslag is gelegd zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de arbeidskundige beoordeling, zoals deze in beroep nader is voorzien van een adequate motivering en/of toelichting, eveneens de rechterlijke toets kan doorstaan. De rechtbank heeft het Uwv voorts veroordeeld in de proceskosten van appellante en bepaald dat het griffierecht dient te worden vergoed.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat en dat zij niet geschikt is de haar voorgehouden functies te vervullen. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts op 9 februari 2004 zeven maanden zwanger was en dat de verzekeringsarts om die reden geen reële inschatting van haar arbeidsmogelijkheden heeft kunnen maken. Voorts had appellante tijdens haar bevallingsverlof niet opgeroepen mogen worden door de arbeidsdeskundige omdat zij recht heeft op een ongestoord genot van haar bevallingsverlof. Dienaangaande heeft appellante tevens betoogd dat de uitlooptermijn van twee maanden eerst had mogen aanvangen na haar bevallingsverlof van tien weken, te weten op 12 juni 2004, zodat de uitkering eerst per 13 augustus 2004 had mogen worden herzien. Van de zijde van appellante is in dit verband verwezen naar Richtlijn 79/7/EG en Richtlijn 76/207/EG alsmede naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (Hof van Justitie) van 30 juni 1998 (Mary Brown, C-394/96). Naar het oordeel van appellante is er in haar geval sprake van ongeoorloofde discriminatie omdat de beoordeling van de WAO-aanspraken en daarmee gepaard gaande keuringen gelijkelijk op iedereen worden toegepast, terwijl appellantes situatie tijdens de herbeoordeling een andere is en zij hierdoor ongunstiger is behandeld.

3.1. In hoger beroep heeft het Uwv nog een door de bezwaarverzekeringsarts uitgevoerde correctie op de FML - in verband met de zogeheten verborgen beperkingen - in het geding gebracht, hetgeen na onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige niet heeft geleid tot een wijziging van het besluit van 2 juni 2005 (hierna: bestreden besluit).

3.2. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv desgevraagd medegedeeld dat een intern beleid is ontwikkeld, vastgelegd in een niet-gepubliceerd uitvoeringsbericht van 10 januari 2006, waarin onder meer is neergelegd dat de herbeoordeling van een zwangere vrouw niet plaatsvindt gedurende de zwangerschap en wordt uitgesteld tot tien weken na de vermoedelijke bevallingsdatum. Dit beleid heeft directe werking gekregen en is niet van toepassing geacht op lopende zaken waarin de beslissing op bezwaar vóór 10 januari 2006 is genomen.

3.3. Naar aanleiding van dit ter zitting overgelegde uitvoeringsbericht van 10 januari 2006 heeft de Raad bij brief van 24 september 2008 nadere vragen aan het Uwv gesteld. In reactie op deze vraagstelling heeft het Uwv - samenvattend - geantwoord dat bedoeld beleid niet is ontwikkeld op grond van een verplichting uit het gemeenschapsrecht waardoor de positie van zwangere vrouwen wordt beschermd, doch meer is ingegeven door de grote aSB-herbeoordelingsoperatie waarin het Uwv regelmatig werd geconfronteerd met herbeoordelingen tijdens zwangerschap, hetgeen vorming van een uniform beleid voor deze groep vrouwen wenselijk maakte. Het Uwv heeft voorts gemotiveerd bestreden dat het bestreden besluit niet in overeenstemming zou zijn met gemeenschapsrecht. Voor zover Richtlijn 92/85/EG al van toepassing zou zijn, is hierop, naar het oordeel van het Uwv, geen inbreuk gemaakt. Ook is in het geval van appellante geen sprake van ongeoorloofde discriminatie. Tot slot is betoogd dat het Uwv de bevoegdheid heeft te bepalen wanneer nieuw beleid wordt toegepast en in hoeverre hieraan terugwerkende kracht wordt gegeven.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Appellante is tijdens haar zwangerschap opgeroepen voor een herbeoordeling en onderzocht door de verzekeringsarts op 9 februari 2004 toen zij zeven maanden zwanger was. Appellante is op 3 april 2004 bevallen. Acht weken na haar bevalling is appellante op 26 mei 2004 opgeroepen voor een gesprek met de arbeidsdeskundige. Vervolgens heeft ook op laatstgenoemde datum de aanzegging plaatsgevonden dat de uitkering wordt ingetrokken, later gewijzigd in een herziening van de uitkering, met ingang van 27 juli 2004. Het Uwv heeft geen aanleiding gezien aan het uitvoeringsbeleid van 10 januari 2006, waarin is neergelegd dat zwangere vrouwen tot tien weken na de bevalling niet voor een herbeoordeling worden opgeroepen, in het geval van appellante gevolgen te verbinden.

Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek

4.2. De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat de verzekeringsarts een onjuist medisch beeld heeft gekregen van haar belastbaarheid, enkel vanwege het feit dat de medische keuring tijdens de zwangerschap heeft plaatsgevonden. Met het Uwv acht de Raad een verzekeringsarts voldoende in staat een inschatting te maken van de beperkingen die wel en niet aan de zwangerschap gerelateerd zijn. Dat de vaststelling van de arbeidsmogelijkheden en beperkingen tijdens een gevorderde zwangerschap per datum in de toekomst niet altijd goed mogelijk is en het Uwv dienaangaande in verband met de gewenste uniformiteit nieuw beleid heeft geformuleerd waarin van keuring tijdens de zwangerschap wordt afgezien, brengt de Raad niet tot een ander standpunt. In het geval van appellante is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet op bedenkingen stuit. De verzekeringsarts heeft beperkingen aangegeven ten aanzien van hoge en langdurige concentratie en ten aanzien van de nekbelasting, welke door de bezwaarverzekeringsarts nog zijn aangescherpt. Appellante heeft geen medische stukken in het geding gebracht op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen voor de datum in geding, medio 2004.

Het arbeidskundig onderzoek

4.3. Eveneens kan de Raad appellante niet volgen in haar betoog dat appellante niet tijdens haar bevallingsverlof opgeroepen had mogen worden voor een gesprek met de arbeidsdeskundige. De Raad heeft hierbij in ogenschouw genomen de doelstelling van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, namelijk de bescherming van de biologische gesteldheid van de vrouw tijdens en na de zwangerschap alsmede de bescherming van de bijzondere relatie tussen moeder en kind tijdens de periode na de zwangerschap en de bevalling. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat die bescherming niet zo ver gaat dat in het onderhavige geval een bezoek aan de arbeidsdeskundige, acht weken na de bevalling, niet verenigbaar is met het beoogde rustig en ongestoord genot van het bevallingsverlof, dan wel anderszins niet gevergd kon worden van appellante. De Raad heeft hierbij tevens van belang geacht dat een gesprek met de arbeidsdeskundige niet per definitie de betrokkene in een ongunstiger positie hoeft te brengen, en in ieder geval de veelal gewenste zekerheid verschaft omtrent de WAO-aanspraak van de betrokkene. De Raad heeft ook binnen het gemeenschapsrecht in samenhang met de jurisprudentie van het Hof van Justitie geen aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel.

De uitlooptermijn

4.4. In de brief van 26 mei 2004 heeft de arbeidsdeskundige de beslissing aangezegd dat de uitkering ingevolge de WAO met ingang van 27 juli 2004, twee maanden en een dag na de datum van de brief, zal worden ingetrokken (later gewijzigd in een herziening naar 25 tot 35%). Namens appellante is dienaangaande naar voren gebracht dat de zogenoemde uitlooptermijn niet tijdens appellantes bevallingsverlof, in casu 8 weken na de bevalling, een aanvang had mogen nemen. Het Uwv heeft hier tegen ingebracht dat appellante als WAO-gerechtigde geen recht had op een vaste periode van bevallingsverlof. Desalniettemin heeft het Uwv appellante gedurende een tijdvak van 15 weken rond de bevalling niet benaderd en is de verlaging van de WAO-uitkering ruim 16 weken na de bevalling ingegaan. Appellante is, naar het oordeel van het Uwv, hierdoor geenszins benadeeld.

4.5. De Raad merkt allereerst op dat in de Wet Arbeid en Zorg voor vrouwelijke werknemers een recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof is neergelegd van totaal 16 weken, waarvan in ieder geval 10 weken aaneengesloten na de bevalling. Hoewel appellante als WAO-gerechtigde, niet zijnde een werkneemster in de zin van de Wet Arbeid en Zorg, niet binnen de directe werkingssfeer van die wet valt, kan naar het oordeel van de Raad appellante een recht op een bevallingsverlof van 10 weken niet worden ontzegd, omdat zij van de met het zwangerschaps- en bevallingsverlof beoogde bescherming niet uitgesloten kan worden geacht. De stelling van het Uwv dat ten tijde in geding in Richtlijn 92/85/EG (de zogenoemde zwangerschapsrichtlijn) “slechts” is voorzien in een recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof van ten minste veertien aaneengesloten weken en het Uwv deze termijn ruimschoots in acht heeft genomen, kan aan het voorgaande niet afdoen, nu in die richtlijn slechts een minimumniveau van bescherming is gewaarborgd en het aan de lidstaten vrij is gelaten om een hoger niveau van bescherming vast te stellen. Nu de nationale wetgever blijkens de Wet Arbeid en Zorg een hoger beschermingsniveau aangewezen heeft geacht, gaat de Raad in het kader van de onderhavige beoordeling uit van een recht op bevallingsverlof van appellante van 10 weken. De Raad ziet zich overigens in deze zienswijze gesteund door eerdergenoemd beleid van het Uwv geldend vanaf 10 januari 2006 waarin de herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de zwangere vrouw is uitgesteld tot 10 weken na de vermoedelijke bevallingsdatum. Op grond van bovenstaande kan worden vastgesteld dat de uitlooptermijn een aanvang heeft genomen tijdens het bevallingsverlof van appellante.

4.6. De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de aanvang van de uitlooptermijn tijdens het bevallingsverlof rechtens ongeoorloofd moet worden geacht.

4.7. De Raad stelt voorop dat ingevolge vaste jurisprudentie de bij een intrekking of herziening van een uitkering in acht te nemen zorgvuldigheid met zich brengt dat aan de betrokkene na het gesprek met de arbeidsdeskundige waarin is meegedeeld dat zij geschikt is voor passend werk, een zogeheten uitlooptermijn wordt gegund. In deze periode wordt de betrokkene de tijd gegund om zich in te stellen op de na de intrekking of herziening van zijn uitkering nieuw ontstane situatie, waarbij de betrokkene zich dient te oriënteren op de arbeidsmarkt en op zijn verdienmogelijkheden en waarbij allerlei activiteiten moeten worden verricht, zoals het inschrijven als werkzoekende bij het CWI, de aanvraag van een WW-uitkering en solliciteren. Daarbij is een termijn korter dan twee maanden vanaf de dag waarop de betrokkene met voormelde opvatting van het Uwv is geconfronteerd en op de hoogte is gebracht van de voor haar bestaande arbeidsmogelijkheden en de dag met ingang waarvan de intrekking of herziening plaatsvindt niet in overeenstemming met een zorgvuldige wetstoepassing.

4.8. Gezien aan de ene kant de in overweging 4.3 genoemde doelstelling van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, waaraan kan worden toegevoegd dat het bevallingsverlof met name is bedoeld om de vrouw te garanderen dat zij zich in de weken na de bevalling aan haar kind kan wijden, en de hierboven vermelde doelstelling van de uitlooptermijn aan de andere kant, is de Raad van oordeel dat een samenloop van deze twee periodes een cumulatie van lasten met zich brengt, waardoor afbreuk wordt gedaan aan beide doelstellingen. De Raad heeft voor dit oordeel tevens steun gevonden in het gemeenschapsrecht en de ontwikkelingen in de jurisprudentie van het Hof van Justitie, in het bijzonder waar het betreft de bescherming van de vrouw bij zwangerschap en moederschap (vergelijk de arresten van 27 oktober 1998, Boyle, C-411/96, LJN AD2954, van 18 maart 2004, Gómez, C-342/01 en van 20 september 2007, Kiiski, C-116/06, LJN BB7073). Hoewel deze jurisprudentie betrekking heeft op de positie van werkneemsters tijdens hun zwangerschaps- en/of bevallingsverlof, ziet de Raad voldoende aanleiding om deze jurisprudentie te betrekken bij de invulling van de bij een intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in acht te nemen zorgvuldigheid. Dit leidt tot het oordeel dat van appellante tijdens haar bevallingsverlof niet gevergd kan worden zich te oriënteren op de arbeidsmarkt en op haar verdienvermogen. Dit heeft tot gevolg dat appellante door het samenvallen van een deel van de uitlooptermijn met het bevallingsverlof, een kortere periode dan de vereiste twee maanden overhoudt waarin zij zich kan instellen op haar nieuwe inkomenspositie, hetgeen in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit betekent dat de aanzegging van de herziening van de uitkering had moeten plaatsvinden na het bevallingsverlof, in het onderhavige geval met ingang van 13 augustus 2008. Het bestreden besluit berust derhalve op een onjuiste grondslag.

4.9. De Raad voegt hier - ten overvloede - nog aan toe dat bij ongewijzigde omstandigheden op de ingevolge deze uitspraak in acht te nemen effectueringsdatum, de vaststelling van de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid zoals dat is geschied bij het bestreden besluit, de rechterlijke toets van de Raad zou kunnen doorstaan.

4.10. Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt, behoudens voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 805,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2009.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) W. Altenaar.

IA