Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH6047

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
07-5327 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering toe te kennen, aangezien appellant werkzaam was als grensarbeider en hij gedeeltelijk werkloos is geworden, zodat Nederland niet bevoegd was om over het recht op WW-uitkering te beslissen. Was ten tijde van het intreden van de werkloosheid de Duitse of de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving van toepassing? In ieder geval enkele dagen ook in Nederland gewerkt en werkgever had zowel bouwprojecten in Nederland als in Duitsland waarop werknemers tewerk werden gesteld, zodat niet gezegd kan worden dat ten aanzien van appellant geen sprake was van een situatie van plegen werkzaam te zijn in twee lidstaten. Nederlandse sociale verzekeringswetgeving is van toepassing. Subsidiaire afwijzingsgrond onvoldoende voorbereid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/229
USZ 2009/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5327 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 31 juli 2007, 06/1430 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens heeft appellant nog een aantal stukken aan de Raad doen toekomen.

Bij faxbericht van 21 november 2008 heeft het Uwv nog enige stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2008. Appellant is daarbij in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

L.A.P. ter Laak.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is vanaf 1 september 2003 werkzaam geweest voor [naam werkgever A] (hierna: Ltd), een Engels metsel- en voegbedrijf. Voor indiensttreding bij de Ltd was appellant in dienst van [naam werkgever B]. Appellant heeft aangegeven dat hij tijdens het dienstverband met de Ltd heeft gewerkt op bouwprojecten in Duitsland met uitzondering van de periode van 15 december 2003 tot begin januari 2004, in welke periode hij op een bouwproject in Nederland heeft gewerkt.

1.2. Aan appellant is met ingang van 19 januari 2004 ontslag aangezegd door de Ltd. Hij heeft daarop op 26 januari 2004 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd, waarbij als reden voor het ontslag is aangegeven ‘geen aansluitend werk’. Bij besluit van 13 mei 2004 heeft het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de WW toegekend. Appellant is vanaf april 2004 weer in dienst getreden bij de Ltd.

1.3. Het Uwv is in het najaar van 2004 gestart met een onderzoek naar de verzekeringsplicht van werknemers die in dienst van de Ltd werkzaam waren. Tijdens dit onderzoek is gebleken dat een deel van de werknemers vanaf medio januari 2004 tot 1 april 2004 nog werkzaamheden heeft verricht op bouwprojecten in Duitsland. Een deel daarvan zou betrekking hebben op reparatiewerkzaamheden die de werknemers in eigen tijd zouden moeten verrichten en een ander deel zou betaald werk betreffen. Voorts bleek uit dit onderzoek dat de werkgever vrijwel alle ontslagen werknemers, onder wie appellant, gedurende vrijwel alle weken in het tijdvak van medio januari 2004 tot 1 april 2004 op grond van het Arbeitnehmer-Entsendegesetz wekelijks heeft aangemeld bij het betreffende Landesarbeitsamt. Deze melding is verplicht voor buitenlandse rechtspersonen die in Duitsland in de bouw werkzaam zijn en in de melding dient de plaats van tewerkstelling vermeld te worden.

1.4. Bij besluit van 21 oktober 2005 heeft het Uwv de toekenning van de WW-uitkering per 19 januari 2004 aan appellant ingetrokken, omdat op grond van nieuwe feiten en omstandigheden is gebleken dat die beslissing onjuist was. Voorts heeft het Uwv geweigerd om met ingang van 19 januari 2004 een WW-uitkering aan appellant toe te kennen. Daarbij is overwogen dat appellant werkzaam was als grensarbeider en dat hij met ingang van 19 januari 2004 niet volledig, maar gedeeltelijk werkloos is geworden, zodat Nederland op grond van artikel 71, eerste lid, aanhef en sub a, onder i van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: Vo. 1408/71) niet bevoegd was om over het recht op WW-uitkering te beslissen.

1.5. Voor het geval Nederland wel de bevoegde lidstaat is om te beslissen over het recht op WW-uitkering heeft het Uwv overwogen dat ook dan geen recht bestaat op een WW-uitkering, omdat appellant met ingang van 19 januari 2004 verwijtbaar werkloos is geworden. Daarbij heeft het Uwv aangegeven dat appellant wegens weersomstandigheden is ontslagen, hetgeen op grond van het Bundesrahmentarifvertrag für das Baugewerbe verboden is in de wintermaanden. Het Uwv is van oordeel dat van appellant verlangd had mogen worden dat hij tegen het ontslag had geprotesteerd.

1.6. Bij beslissing op bezwaar van 28 november 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is er daarbij van uitgegaan dat appellant vóór 19 januari 2004 uitsluitend in Duitsland werkzaam is geweest. Dat brengt mee dat de algemene regel van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van Vo. 1408/71 van toepassing is en appellant onder de Duitse sociale verzekeringswetgeving valt. Voor zover moet worden aangenomen dat appellant in zijn laatste dienstbetrekking voorafgaand aan zijn werkloosheid ook enige werkzaamheden in Nederland heeft verricht, blijkt, aldus de rechtbank, nergens uit dat er in deze dienstbetrekking sprake was van het plegen uit te oefenen van werkzaamheden op het grondgebied van twee lidstaten in de zin van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, sub i, van Vo. 1408/71. Volgens de rechtbank dient het daarbij te gaan om werkzaamheden die normaliter op het grondgebied van twee lidstaten worden verricht. Blijkens de beschikbare gegevens is daarvan in het onderhavige geval geen sprake. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat appellant, als grensarbeider, ook niet aan artikel 71 van Vo. 1408/71 een mogelijke aanspraak op WW jegens het UWV kan ontlenen, nu appellant vanaf 19 januari 2004 als gedeeltelijk werkloos moet worden aangemerkt.

3.1. Door appellant is in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de Nederlandse wetgeving van toepassing was op grond van artikel 14, tweede lid, sub b, onder i, van Vo. 1408/71, omdat hij zowel in Nederland als Duitsland werkzaam is geweest. Voorts zijn in hoger beroep stukken overgelegd, waaruit blijkt dat tussen Nederland en Duitsland een overeenkomst als bedoeld in artikel 17 van Vo. 1408/71 is gesloten waarin is overeengekomen dat vanaf 1 april 2004 op alle in Nederland woonachtige werknemers van de Ltd de Nederlandse wetgeving van toepassing is.

3.2. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv desgevraagd medegedeeld dat de subsidiaire weigeringsgrond onvoldoende zorgvuldig is onderzocht, omdat niet is nagegaan welk arbeidsrecht van toepassing was op de laatstelijk door appellant verrichte werkzaamheden.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Tussen partijen is allereerst in geschil of de rechtbank, met het Uwv, terecht heeft aangenomen dat op appellant ten tijde van het intreden van zijn werkloosheid de Duitse sociale verzekeringswetgeving van toepassing was.

4.2. De Raad stelt vast dat het Uwv ervan is uitgegaan dat de Duitse wetgeving op appellant van toepassing was omdat hij laatstelijk voor het intreden van de werkloosheid in Duitsland werkzaam is geweest. Door appellant is aangevoerd dat hij in dienst van de Ltd zowel in Nederland als in Duitsland werkzaam is geweest, zodat op grond van artikel 14, tweede lid, sub b, onder i, van Vo. 1408/71 de Nederlandse wetgeving van toepassing is nu appellant in Nederland woont.

4.3. In dit artikellid is, kort samengevat, bepaald dat op degenen die op het grondgebied van twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst plegen uit te oefenen, de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij wonen van toepassing indien zij een deel van hun werkzaamheden op dit grondgebied uitoefenen. Blijkens rechtspraak van het Hof van Justitie EG (onder meer de arresten van 10 juni 1975, 8-75, Foot-Ball Club d’Andlau, 23 september 1982, 276/81, Kuijpers, en 16 februari 1995, C-425/93, Calle Grenzshop) en de uitspraak van de Raad van 13 december 2007 (LJN BC0173) zijn verschillende factoren van belang bij de beoordeling van de vraag of een werknemer werkzaamheden in loondienst pleegt uit te oefenen op het grondgebied van twee of meer lidstaten.

4.4. Appellant heeft aangegeven dat hij van 15 december 2003 tot begin januari 2004 op een bouwproject in Nederland heeft gewerkt. In verband met de vakantieperiode in de bouw rond de kerstdagen zouden de werkzaamheden in Nederland feitelijk beperkt zijn gebleven tot ongeveer één week. De Raad ziet geen aanleiding deze opgave in twijfel te trekken nu uit de gedingstukken blijkt dat een deel van de werknemers van de Ltd in 2003 enige tijd in Nederland heeft gewerkt en appellant ook in het kader van het onderzoek heeft verklaard ongeveer één week in Nederland gewerkt te hebben. Voorts heeft het Uwv ook premies werknemersverzekeringen geheven van de werkgever vanaf 1 september 2003 voor diverse werknemers die in Nederland werkzaam zijn geweest.

4.5. Nu appellant gedurende het dienstverband bij de Ltd in ieder geval enkele dagen ook in Nederland heeft gewerkt en zijn werkgever zowel bouwprojecten in Nederland als in Duitsland verrichtte waarop werknemers tewerk werden gesteld, is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat ten aanzien van appellant geen sprake was van een situatie van plegen werkzaam te zijn in twee lidstaten. Daarbij acht de Raad mede van belang dat gelet op de specifieke situatie binnen de onderneming H. van den Noort Ltd door de Nederlandse en Duitse instanties later is besloten dat vanaf 1 april 2004 de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving van toepassing is op de werknemers.

4.6. Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat op appellant ten tijde van het intreden van zijn werkloosheid op 19 januari 2004 de Nederlandse wetgeving van toepassing was. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, waarbij is uitgegaan van toepasselijkheid van de Duitse wetgeving, niet in stand kunnen blijven.

4.7. Ten aanzien van de subsidiaire weigeringsgrond heeft het Uwv ter zitting reeds aangegeven dat deze onzorgvuldig is voorbereid. Ook de Raad is van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre wegens schending van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. Daarbij tekent de Raad nog aan dat naast de vraag of het Duitse arbeidsrecht van toepassing was op de arbeidsverhouding met appellant tevens van belang is of een eventueel protest tegen het ontslag in Duitsland een redelijke kans van slagen zou hebben gehad.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen. Het Uwv dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene.

5. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 27,20 voor reiskosten in hoger beroep, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 27,20 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2009.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) W. Altenaar.

IJ