Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH5930

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
16-03-2009
Zaaknummer
06-6055 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met nader besluit volledig tegemoet gekomen. Nu appellant in hoger beroep heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding heeft appellant nog een belang bij een beoordeling van het besluit van 2 december 2005 behouden.

Schadevergoeding inzake nabetaling WAO-uitkering. (Vertragings)rente. Heropening onderzoek omtrent schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6055 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 september 2006, 05/3367

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2008. Appellant is daarbij niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft op 13 september 2001 bij de rechtsvoorganger van het Uwv een aanvraag gedaan voor een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO) in verband met pijnklachten aan pols, arm en schouder en diverse andere klachten. Het Uwv heeft aanvankelijk op 5 februari 2002 en – na een bezwaarprocedure – andermaal op 19 maart 2003 afwijzend beslist op die aanvraag. Tegen het besluit van 19 maart 2003 heeft appellant wederom bezwaar gemaakt. Dat heeft, nadat de rechtbank bij uitspraak van 14 april 2005 een eerder besluit op bezwaar had vernietigd, uiteindelijk geleid tot een besluit op bezwaar van 2 december 2005. Daarbij heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en de beslissing gehandhaafd dat appellant op 18 september 2001 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, maar dat de mate van arbeidsongeschiktheid na 18 september 2001 minder dan 15% is.

2. Appellant heeft tegen het besluit van 2 december 2005 beroep ingesteld welk beroep door de rechtbank bij de thans aangevallen uitspraak gegrond is verklaard onder vernietiging van het besluit van 2 december 2005. De rechtbank heeft daarbij de medische onderbouwing van dit besluit juist geacht, maar oordeelde tevens dat de arbeidskundige onderbouwing onvoldoende was.

3.1. Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Hangende het hoger beroep heeft het Uwv, naar aanleiding van een arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 10 november 2006 meegedeeld dat bij appellant op en na 19 september 2001 de mate van arbeidsongeschikt-heid dient te worden vastgesteld op 80 tot 100%. Tevens heeft het Uwv aan appellant per 19 september 2001 de zogenoemde REA-status toegekend.

3.2. Appellant heeft zich niet met dat besluit kunnen verenigen en heeft ter onderbouwing van zijn standpunt nog diverse stukken ingebracht. Appellant heeft tevens verzocht om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente. Verder heeft appellant verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zowel in de bestuurlijke als in de rechtelijke fase.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Bij het besluit van 10 november 2006 is het Uwv volledig tegemoet gekomen aan hetgeen appellant heeft verzocht, zijnde een arbeidsongeschiktheidsuitkering in het kader van de WAO en de toekenning van de REA-status. Ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:18 en 6:24 van de Awb wordt het beroep tegen het besluit van 2 december 2005 derhalve niet geacht gericht te zijn tegen het besluit van 10 november 2006. Nu appellant in hoger beroep heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding heeft appellant nog een belang bij een beoordeling van het besluit van 2 december 2005 behouden. De Raad wijst er daarbij op dat de diverse overige door appellant aangevoerde gronden, verzoeken en vorderingen geen directe betrekking hebben op het besluit van 2 december 2005, zodat deze geen onderdeel uitmaken van het geding en de Raad zich daar ook niet over zal uitspreken.

4.2. Anders dan door het Uwv gesteld, heeft appellant op diverse momenten in de procedure verzocht om een schadevergoeding ter zake van het niet betalen van de door hem aangevraagde WAO-uitkering. De Raad verwijst daarvoor onder meer naar een namens appellant ingesteld beroep van 18 december 2003 en de aanvulling van de gronden van dat beroep van 24 maart 2004. Het is de Raad gebleken dat het Uwv inmiddels de achterstallige termijnen van de WAO-uitkering heeft nabetaald. Anders dan de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft gesteld, is echter uit het betalingsoverzicht dat aan de Raad ter hand is gesteld, niet af te leiden dat in de nabetaling vanaf 19 september 2001 tevens een bedrag aan (vertragings)rente is vervat. Aangezien met het besluit van 10 november 2006 thans vaststaat dat het Uwv appellant ten onrechte een WAO-uitkering heeft geweigerd per 19 september 2001, kan het besluit van 2 december 2005, zoals de rechtbank ook al om andere redenen oordeelde niet in stand blijven. Daarenboven is het Uwv gehouden de schade te vergoeden die appellant heeft geleden door de vertraagde uitbetaling van die uitkering, welke schade bestaat uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Voor de wijze van berekening van die schade volstaat de Raad te verwijzen naar hetgeen daartoe is overwogen in de uitspraak van de Raad van 8 november 1995 (LJN ZB1486). De Raad zal het Uwv derhalve dienovereenkomstig veroordelen. De Raad stelt vast dat de rechtbank heeft verzuimd te beslissen op het uitdrukkelijk verzoek van appellant om schadevergoeding. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

4.3. Aan de - procedurele - gang van zaken tot dusverre kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, zowel in de bestuurlijke als in de rechtelijke fase is geschonden. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

4.4. Nu appellant geen daarvoor in aanmerking komende kosten heeft opgevoerd, ziet de Raad geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende,

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is verzuimd te beslissen op het verzoek van appellant om schadevergoeding;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de schade die appellant lijdt door de te late betaling van de WAO-uitkering op de wijze als in 4.2 is aangegeven;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder de nummers (08/4783) en (09/1228) ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevraagde schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (minister van Justitie) aan als partij in die procedure;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in hoger beroep gestorte griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en H. Bolt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) I.R.A. van Raaij.

CVG