Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH5799

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
07-4167 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Zijn arbeid. In hoger beroep geen medische informatie naar voren gebracht die een ander licht werpt op medische situatie op de datum hier in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4167 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2007, 06/2599 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.N. Vissers, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2008. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, voorheen werkzaam als kok, is op 4 december 1997 uitgevallen vanwege lichamelijke en psychische klachten, waarna haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, die per 28 december 2004 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Sedertdien ontvang appellante naast de WAO-uitkering een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Vanuit deze situatie heeft appellante zich op 16 november 2005 ziek gemeld wegens toegenomen klachten. Op 4 januari 2006 en 13 januari 2006 is appellante gezien door de verzekeringsarts A. de Cler. De verzekeringsarts heeft op laatstgenoemde datum geconstateerd dat appellante met dezelfde klachten is uitgevallen als destijds in het kader van de WAO en dat deze onveranderd zijn. Hij concludeerde dat appellante met ingang van 16 januari 2006 onveranderd geschikt is voor de destijds in het kader van de WAO geselecteerde functies. Volgens de verzekeringsarts zijn met name de functies van inpakker en productiemedewerker textiel nog steeds voor appellante geschikt.

1.2. Bij besluit van 13 januari 2006 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en dat zij met ingang van 16 januari 2006 geen recht (meer) heeft op ziekengeld. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 mei 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag het rapport van de bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker van 4 mei 2006.

3. De rechtbank heeft appellante laten onderzoeken door neuroloog H.J. Vroon en onder overneming van de in diens rapport van 19 april 2007 vermelde conclusie het beroep ongegrond verklaard.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW, heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van appellantes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat van ongeschiktheid in de zin van de Ziektewet geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor tenminste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.

4.4. Bij de vorming van zijn oordeel heeft de Raad, evenals de rechtbank, doorslaggevende betekenis toegekend aan het door voornoemde deskundige, neuroloog Vroon, uitgebrachte rapport. De deskundige is na eigen onderzoek, kennisname van het procesdossier, waaronder de in beroep overgelegde medische informatie van de fysiotherapeut E. Sucec-Hoegee en de behandelend psycholoog drs. R.C. van Tienderen, en verkregen informatie van de polikliniek neurologie Erasmus tot de conclusie gekomen dat op de datum in geding, 16 januari 2006, sprake was van een zeer gering Carpale Tunnel Syndroom (CTS) beiderzijds en daarnaast van myoarthrogene klachten waarvoor op neurologisch gebied geen verklaring kan worden gegeven. Vanwege de geringe CTS was er volgens de deskundige op de datum in geding hooguit sprake van een geringe vermindering van hand- en vingergebruik wat betreft het maken van langdurige, repetitieve bewegingen. De deskundige acht appellante in staat de destijds in het kader van de WAO geduide functies van inpakker, produktiemedewerker textiel en textielproductiemaker te vervullen. De functie van machinaal metaal bewerker acht de deskundige minder geschikt voor appellante.

4.5. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige pleegt te volgen. Nu appellante in hoger beroep geen medische informatie naar voren heeft gebracht die een ander licht werpt op haar medische situatie op de datum hier in geding, ziet de Raad geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken.

4.6. Met betrekking tot de in beroep overgelegde informatie van de psycholoog Van Tienderen van 9 juni 2006, verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in haar uitspraak daarover, met verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Blanker van 1 augustus 2006, heeft overwogen.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulfraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2009.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J. Verrips.

TM