Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH5720

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
16-03-2009
Zaaknummer
07-969 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Fiscaal verantwoorde en vastgestelde (netto)winst zelfstandige, behoudens bijzondere gevallen, dient te worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid. Beroep op het vertrouwensbeginsel faalt: geen uitdrukkelijke, schriftelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van de kant van het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/969 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 januari 2007, 06/3977 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. Plokker, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 oktober 2008 heeft het Uwv desgevraagd ontbrekende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Plokker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout. Als namens appellant meegebrachte getuige is gehoord

[naam getuige].

II. OVERWEGINGEN

1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Appellant ontvangt sedert 1988 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een wisselende mate van arbeidsongeschiktheid. Sinds 1 januari 1992 exploiteerde appellant een shoarma- c.q. horecagelegenheid op de [markt] in [vestigingsplaats]. Naar aanleiding van een melding van het Regionaal Meldpunt Fraude heeft de opsporingsdienst van de rechtsvoorganger van het Uwv een onderzoek ingesteld naar vermoedelijk door appellant gepleegde uitkeringsfraude. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport werknemersfraude van 11 mei 2001.

1.3. Dit rapport heeft, voor zover thans van belang, geleid tot de volgende besluitvorming van het Uwv:

- besluit I van 26 juli 2005 waarbij appellant is meegedeeld dat zijn WAO-uitkering, welke op dat moment werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, in verband met inkomsten uit arbeid met ingang van 1 januari 1995 niet tot uitbetaling komt,

- besluit II van 26 juli 2005 waarbij appellant is meegedeeld dat zijn WAO-uitkering m.i.v. 1 januari 1998 - gelet op het verstrijken van de in artikel 44, tweede lid, van de WAO genoemde periode van drie jaar - wordt ingetrokken.

1.4. Bij besluit van 11 april 2006, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv de tegen de besluiten I en II gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover in hoger beroep nog van belang, overwogen dat het Uwv bij de bepaling van de inkomsten als bedoeld in artikel 44 van de WAO niet ten onrechte is uitgegaan van de door de Belastingdienst vastgestelde fiscale winst. De rechtbank heeft daarbij gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad waaruit volgt dat de fiscaal verantwoorde en vastgestelde (netto)winst van een zelfstandige, behoudens bijzondere gevallen, dient te worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid in de zin van dat artikel. De rechtbank zag geen grond om een uitzondering te aanvaarden op die hoofdregel, nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door de Belastingdienst vastgestelde inkomsten niet voor juist zouden moeten worden gehouden. De rechtbank heeft daarbij betekenis gehecht aan de inhoud van een tussen de Belastingdienst en appellant op 3 mei 2001 gesloten vaststellingsovereenkomst.

3. Appellant heeft in hoger beroep, onder handhaving van hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, de juistheid van de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Appellant bestrijdt met name de juistheid van de door het Uwv, in navolging van de Belastingdienst, over de jaren 1995 tot en met 1997 gehanteerde winstcijfers. Appellant wijst in dat verband op door hem in de loop van de procedure geleverd (tegen)bewijs, in het bijzonder een verklaring van [naam getuige], zijn (huidige) boekhouder, over de door vergelijkbare (shoarma)zaken op de markt in [vestigingsplaats] behaalde omzetten. Appellant voert daarnaast aan dat de besluitvorming in strijd is geweest met het vertrouwensbeginsel.

4. Ter beoordeling staat of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.

4.1. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij stelt zich achter het oordeel van de rechtbank en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen, neergelegd in de aangevallen uitspraak. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad nog het volgende.

4.2. Uit hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep naar voren is gebracht, vloeit naar het oordeel van de Raad niet voort dat er, in weerwil van de met de Belastingdienst gesloten vaststellingsovereenkomst, van moet worden uitgegaan dat appellant minder winst heeft genoten dan door de Belastingdienst en – in navolging daarvan – het Uwv is aangenomen. De stelling van appellant dat hij de dupe is geworden van de wijze waarop zijn voormalige boekhouder zich van zijn taak heeft gekweten, leidt de Raad niet tot een ander oordeel, aangezien de gevolgen van deze omstandigheid binnen de risicosfeer van appellant vallen. Hetgeen [naam getuige] heeft verklaard over de door vergelijkbare (shoarma)zaken op de markt in [vestigingsplaats] behaalde omzetten heeft de Raad evenmin tot een ander oordeel gebracht.

4.3. Ook het in hoger beroep herhaalde beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, nu niet is gebleken van een uitdrukkelijke, schriftelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van de kant van het Uwv waarop een in rechte als geldig te erkennen beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

CVG