Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH5444

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2009
Datum publicatie
12-03-2009
Zaaknummer
07-4145 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering om appellant te plaatsen in de functie van zijn keuze, omdat de functie van leidinggevende beheerstaken D zwaarder is dan die van ploegchef gebouwenbeheer. Korpsbeheerder is niet overtuigd van appellants geschiktheid voor die functie. Mandaat. Geen bezwaar gemaakt tegen de prestatie- en potentieelbeoordeling van functioneren als ploegchef gebouwenbeheer, waarin is opgenomen dat appellant onder andere op het gebied van leidinggeven een voorlopig eindniveau heeft bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4145 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 juni 2007, 06/4052 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [naam regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 26 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.W.H. Buiting, advocaat te ’s-Gravenhage. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W. Kolkman, werkzaam bij de politieregio [naam regio].

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant was sinds 1 januari 2001 werkzaam als ploegchef gebouwenbeheer bij het Bureau Huisvesting van de politieregio [naam regio] (hierna: Bureau). Met ingang van 1 februari 2002 is zijn salaris vastgesteld naar salarisschaal 10. In 2005 heeft op basis van een Doorontwikkelplan een reorganisatie van het Bureau plaatsgevonden. Het her-inrichten van de ploeg gebouwenbeheer door middel van het verzwaren van de functie ploegchef en het splitsen van de functie projectleider in een A- en een B-functie maakte hiervan deel uit. In het kader van de herplaatsing van de medewerkers van het Bureau heeft appellant zijn voorkeur kenbaar gemaakt voor plaatsing in de functie van leidinggevende beheerstaken D, welke functie is gewaardeerd op het niveau van salarisschaal 11. De korpsbeheerder heeft appellant bij besluit van 21 oktober 2005 echter niet in die functie geplaatst, maar in de functie projectleider B, waaraan salarisschaal 10 is verbonden.

2.2. Bij besluit van 28 maart 2006 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen de in het besluit van 21 oktober 2005 vervatte weigering om hem te plaatsen in de functie van zijn keuze ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat de functie van leidinggevende beheerstaken D zwaarder is dan die van ploegchef gebouwenbeheer en dat de korpsbeheerder niet overtuigd is van appellants geschiktheid voor die functie, nu de chef van het Bureau in het kader van de plaatsingsprocedure heeft aangegeven dat hij appellant daarvoor ongeschikt acht.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de korpsbeheerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten appellant niet te plaatsen in de door hem verkozen functie van leidinggevende beheerstaken D en het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank sluiten de functies van ploegchef gebouwenbeheer en leidinggevende beheerstaken D niet op elkaar aan en is laatstgenoemde functie zwaarder dan die van ploegchef gebouwenbeheer.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn al eerder ingenomen standpunt herhaald, dat de werkzaamheden die behoren bij de functie van leidinggevende beheerstaken D voorheen door hem werden uitgevoerd. Om die reden meent hij aanspraak te kunnen maken op plaatsing in de functie leidinggevende beheerstaken D.

4.2. De korpsbeheerder heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Zowel het besluit van 21 oktober 2005 als het bestreden besluit zijn in mandaat genomen door de plaatsvervangend korpschef, hetgeen in strijd is met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beslissing op bezwaar komt hierom in aanmerking voor vernietiging. Dientengevolge moet de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, eveneens worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van appellant gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

5.2. Nu de korpsbeheerder in zijn brief aan de Raad van 31 juli 2008 het bestreden besluit uitdrukkelijk voor zijn rekening heeft genomen, zal de Raad bezien of aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

5.3. Het geschil tussen partijen betreft de weigering van de korpsbeheerder om appellant te plaatsen in de functie van leidinggevende beheerstaken D. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit een vergelijking van de twee hier aan de orde zijnde functies aan de hand van de functiebeschrijvingen dat bij de functie van ploegchef gebouwenbeheer de nadruk ligt op uitvoerende taken, terwijl de functie van leidinggevende beheerstaken D meer is gericht op het sturen en ontwikkelen van het Bureau, op bedrijfsvoering en het dragen van eindverantwoordelijkheid. Dat appellant, naar ter zitting van de Raad is gebleken, in zijn oude functie deel uitmaakte van het managementteam en als zodanig, naar moet worden aangenomen, was betrokken bij beleidsontwikkeling brengt niet met zich dat die functie, zoals die was beschreven, niet in hoofdzaak een uitvoerende functie was. Voor zover de stelling van appellant dat de feitelijke inhoud van de functie van ploegchef gebouwenbeheer niet overeenkwam met de functiebeschrijving, juist is ziet de Raad, nu die beschrijving ongewijzigd is gebleven, daarin geen aanleiding om de voorliggende functiebeschrijving niet als uitgangspunt te nemen voor de vergelijking.

5.4. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat de functies van ploegchef gebouwenbeheer en leidinggevende beheerstaken D niet op elkaar aansluiten en dat laatstgenoemde functie zwaarder is dan die van ploegchef gebouwenbeheer. Van een recht op plaatsing in de eigen functie is dan ook geen sprake.

5.5. Op grond van het gemotiveerde oordeel van de chef van het Bureau dat appellant ongeschikt is voor de functie van leidinggevende beheerstaken D heeft de korpsbeheerder er naar het oordeel van de Raad op goede gronden aan kunnen twijfelen dat appellant voldoet aan de eisen die aan die functie worden gesteld en heeft hij om die reden kunnen besluiten appellant niet in die functie te plaatsen. De Raad heeft hierbij mede in aan-merking genomen dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen de op 1 augustus 2005 opgemaakte en naderhand vastgestelde prestatie- en potentieelbeoordeling van zijn functioneren als ploegchef gebouwenbeheer in de periode van 13 december 2004 tot en met 1 juli 2005, waarin is opgenomen dat appellant onder andere op het gebied van leidinggeven een voorlopig eindniveau heeft bereikt.

6. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand te laten.

7. Nu de aangevallen uitspraak wordt vernietigd bestaat tevens aanleiding de korpsbeheerder te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 322,- in beroep en op € 644,- in hoger beroep wegens kosten van rechtsbijstand, derhalve in totaal op € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de korpsbeheerder van de politieregio [naam regio] in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,-, te betalen door de politieregio [naam regio];

Bepaalt dat de politieregio [naam regio] het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 355,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD