Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH5375

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
07-4287 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Er is met voldoende zekerheid komen vast te staan dat appellant in de hier in geding zijnde periode op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Appellant heeft van deze werkzaamheden en van de bij hem in gebruik zijnde auto’s geen opgave aan de Commissie gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4287 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 juni 2007, 06/6019 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: Commissie)

Datum uitspraak: 3 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L.P. Heuts, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

De Commissie heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 20 januari 2009, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving sedert 21 januari 2000 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 18 april 2006 heeft de Commissie de bijstand van appellant over de periode van 18 maart 2002 tot en met 12 december 2002 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 9.362,50 van hem teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant - zonder daarvan melding te maken bij de Commissie - werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van [naam werkgever] (hierna: [werkgever]). Ook zou appellant in bezit zijn geweest van een drietal horloges waarvan de totale waarde het vrij te laten vermogen oversteeg. De Commissie heeft zich gebaseerd op een door de Afdeling Fraudebestrijding uitgevoerd onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van 5 april 2006.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 10 november 2006 heeft de Commissie het besluit van 18 april 2006 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 10 november 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat voldoende grondslag aanwezig is voor de conclusie dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Door hiervan geen melding te maken heeft appellant - naar het oordeel van de rechtbank - niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover hierbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De in hoger beroep aangevoerde grieven vormen een herhaling van hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht. De Raad stelt zich achter de onder 2 vermelde overwegingen van de rechtbank en het daarop gegronde oordeel dat de rechtsgevolgen van het besluit van 10 november 2006 in stand kunnen blijven. Ook voor de Raad is met voldoende zekerheid komen vast te staan dat appellant in de hier in geding zijnde periode op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Daarbij baseert de Raad zich op de door appellant ten overstaan van ambtenaar van de politie en de Afdeling Fraudebestrijding afgelegde verklaringen van 3 maart 2003 en 29 maart 2006. Uit deze verklaringen blijkt dat appellant in de hier in geding zijnde periode voor [werkgever] werkzaamheden heeft verricht en dat hij als tegenprestatie voor deze werkzaamheden van [werkgever] auto’s in bruikleen heeft gekregen die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigden. Appellant heeft van deze werkzaamheden en van de bij hem in gebruik zijnde auto’s geen opgave aan de Commissie gedaan.

4.2. Uit hetgeen onder 4.1 is overwogen volgt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor niet kan worden vastgesteld of hij ten tijde hier in geding verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Dit betekent dat de Commissie bevoegd was met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken over de periode van 18 maart 2002 tot en met 12 december 2002. Ook is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat de Commissie bevoegd was de kosten van bijstand over laatstgenoemde periode terug te vorderen. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen ter zake van de wijze waarop de Commissie gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid de bijstand in te trekken en terug te vorderen.

4.3. De vraag of appellant heeft beschikt over een voor de bijstand relevant vermogen in de vorm van horloges kan, gelet op het onder 4.1 tot en met 4.2 overwogene, onbesproken blijven.

5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.2 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2009.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) C. de Blaeij.

RB