Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH5344

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2009
Datum publicatie
12-03-2009
Zaaknummer
07-1771 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Recht op WAO-uitkering kan niet worden vastgesteld. Geen medische gronden om aan te nemen dat appellant niet in staat is om arbeidsdeskundige te bezoeken.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 23
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 25
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 36a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1771 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 7 februari 2007, 06/1077 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 6 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2009. Namens appellant is verschenen mr. Visser, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 2 februari 2006 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 17 november 2005 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende de schorsing van de betaling van de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 december 2005. Aan het besluit tot schorsing ligt ten grondslag dat appellant niet heeft voldaan aan de oproep om te verschijnen op het spreekuur van de arbeidsdeskundige op 2 november 2005. Appellant acht zich daartoe niet in staat; de verzekeringsarts, die appellant thuis heeft bezocht, is echter van oordeel dat er geen medische of andere redenen zijn waarom appellant niet op het spreekuur zou kunnen verschijnen.

1.2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 2 februari 2006 bij uitspraak van 14 december 2006 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant de verplichting ingevolge artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO, zich te laten ondervragen door een arbeidsdeskundige niet nagekomen en valt het niet nakomen van die verplichting appellant te verwijten. Tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 december 2006 is geen hoger beroep ingesteld.

2.1. Bij besluit van 12 juli 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 augustus 2006 ingetrokken onder overweging dat door toedoen van appellant niet kan worden vastgesteld of hij nog recht heeft op de uitkering.

Het bezwaar tegen het besluit van 12 juli 2006 is met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangemerkt als beroepschrift.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 juli 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat vaststaat dat appellant niet bij de arbeidsdeskundige is verschenen, dat hij aldus de verplichting als bedoeld in artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO niet is nagekomen, dat het appellant te verwijten valt dat hij die verplichting niet is nagekomen en dat het Uwv onder deze omstandigheden terecht de WAO-uitkering met ingang van 1 augustus 2006 heeft beëindigd.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn tijdens de procedure in eerste aanleg aangevoerde grieven ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij niet in staat was eenmalig bij de arbeidsdeskundige te verschijnen en dat daarvoor voldoende medische redenen aanwezig waren, herhaald. Hij heeft daar nog een verklaring van zijn huisarts van 6 september 2006 aan toegevoegd, waarin melding wordt gemaakt van klachten passend bij het chronisch vermoeidheidssyndroom, ten gevolge waarvan appellant vaak niet in staat is ergens te komen omdat hij daar dan dagen van moet bijkomen. Voorts bevat het schrijven van de huisarts een verwijzing voor behandeling door het Biologisch Medisch Centrum te Utrecht. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van deze gegevens geen aanleiding gezien om tot een ander standpunt te komen.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. In artikel 18, eerste lid, van de WAO is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen.

In artikel 18, achtste lid, van de WAO is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het bepaalde in dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels kunnen worden gesteld.

In artikel 2, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, is bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidsdeskundig onderzoek.

In het tweede lid is bepaald onder welke omstandigheden van een arbeidsdeskundig onderzoek kan worden afgezien. In het onderhavige geval is hiervan geen sprake.

Ingevolge artikel 5 strekt het arbeidskundig onderzoek tot vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel 18 van de WAO. Daartoe wordt het maatmaninkomen per uur van betrokkene vergeleken met hetgeen hij met arbeid kan verdienen.

4.3. Dit samenstel van wettelijke bepalingen brengt mee dat de arbeidsdeskundige van het Uwv met het oog op het te verrichten arbeidsdeskundig onderzoek gerichte informatie van degene die aanspraak maakt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering nodig kan hebben teneinde een zo goed en zo volledig mogelijk beeld van de mogelijkheden en beperkingen van een verzekerde te krijgen.

4.4. Zoals door het Uwv ter zitting van de Raad toegelicht, is persoonlijk contact tussen een arbeidsdeskundige en degene die aanspraak maakt op een WAO-uitkering niet onder alle omstandigheden noodzakelijk, maar in het onderhavige geval heeft het Uwv de arbeidskundige herbeoordeling van het recht van appellant op WAO niet op papier willen afdoen. De verzekeringsarts heeft zoveel beperkingen van appellant in zijn persoonlijk en sociaal functioneren vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 11 oktober 2005, dat contact van de arbeidsdeskundige met appellant van belang is geacht om tot een zorgvuldige en verantwoorde beoordeling te komen.

4.5. Op grond van artikel 23, eerste lid, van de WAO kan het Uwv (….) de persoon die aanspraak maakt op of in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, oproepen of doen oproepen en op een door of vanwege het Uwv te bepalen plaats ondervragen of doen ondervragen in verband met de aanspraak op of het genot van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

4.6. In artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO is - kort samengevat - bepaald dat indien een persoon niet verschijnt of weigert vragen te beantwoorden die zijn gesteld door het Uwv of door een daartoe aangewezen deskundige, het Uwv de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk weigert.

4.7. In artikel 36a, eerste lid aanhef en onder d, van de WAO is bepaald:

Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een beschikking tot toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering en terzake van weigering van een zodanige uitkering, herziet het Uwv een dergelijke beschikking of trekt hij die in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25, 28 of 80 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.

4.8. De Raad is van oordeel dat appellant door zijn weigering te verschijnen bij de arbeidsdeskundige, heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 23, eerste lid, van de WAO. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden om het standpunt van het Uwv dat er geen medische gronden zijn om aan te nemen dat appellant niet in staat is om de arbeidsdeskundige ten kantore van het Uwv te bezoeken voor onjuist te houden. Nu appellant heeft volhard in zijn weigering, heeft het Uwv met juistheid besloten dat het recht op een WAO-uitkering niet kon worden vastgesteld.

4.9. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak, zij het op enigszins andere gronden, dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C.A. Wit.

CVG