Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH5255

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2009
Datum publicatie
12-03-2009
Zaaknummer
07-5291 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Rechtbank heeft bestreden besluit vernietigd omdat geen urenbeperking in acht was genomen, zonder bespreking van de arbeidskundige beroepsgronden. De Raad acht de medische grondslag voldoende en voorziet zelf. De functie van operator voedingsmiddelenindustrie is voor betrokkene niet geschikt, aangezien de belastbaarheid wordt overschreden op de punten dragen en tillen. Aangezien te weinig functies resteren, volgt vernietiging van het besluit en bevestiging aangevallen uitspraak op andere gronden. Maatmanvaststelling onjuist. De bewijslast en het bewijsrisico van de na zo lange tijd alsnog opgeworpen stelling dat de laatst verrichte arbeid voor betrokkene niet geschikt was, rust in verregaande mate op appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5291 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 augustus 2007, 06/5874

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 6 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. Winkel. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Bemelmans.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 24 april 2006 heeft appellant de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke sinds de toekenning met ingang van 2 september 1992 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 25 juni 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

1.2. De verzekeringsarts van appellant baseerde haar aan dit besluit ten grondslag liggende opvatting dat betrokkene met zijn beperkingen in staat is tot het verrichten van arbeid, naast haar bevindingen bij eigen onderzoek, op de rapportage van de psychiater N.J. de Mooij van 13 januari 2006. De Mooij onderzocht betrokkene op verzoek van de verzekeringsarts en stelde vast dat de in het verleden aanwezige paniekstoornis in remissie was en de korte depressieve momenten van betrokkene niet voldoen aan de criteria van een depressieve stoornis in engere zin. Rekening houdend met de door de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) vastgelegde beperkingen van betrokkene berekende de arbeidsdeskundige aan de hand van door hem geselecteerde functies een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15.

1.3. Namens betrokkene is tegen het besluit van 24 april 2006 bezwaar gemaakt en onder verwijzing naar een door zijn behandelend GZ-psycholoog opgesteld behandelplan betoogd dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Appellant heeft het bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 23 oktober 2006 (hierna: bestreden besluit). In het kader van de heroverweging in bezwaar onderschreef de bezwaarverzekeringsarts de FML. De bezwaararbeidsdeskundige liet enkele eerder aan de schatting ten grondslag gelegde functies vervallen en handhaafde drie voor betrokkene geschikte functies, op basis waarvan hij – ook na nadere vaststelling van het maatmaninkomen – een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15 berekende.

2.1. In beroep is namens betrokkene zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ter discussie gesteld. Betoogd is dat appellant de beperkingen van betrokkene heeft onderschat en ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen. Verder is betoogd dat het maatmaninkomen onjuist is vastgesteld en dat de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies onvoldoende is toegelicht.

2.2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens betrokkene ingestelde beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen opnieuw op het bezwaar van betrokkene te beslissen, met bepalingen omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe overwoog de rechtbank dat uit de rapportage van De Mooij volgt dat behandeling van betrokkene is geïndiceerd zodra hij aan het werk gaat, zodat de (bezwaar)verzekeringsartsen ten onrechte in de FML een beperking van de werktijden achterwege hebben gelaten. Overigens zag de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid van betrokkene. Aan een bespreking van de arbeidskundige beroepsgronden is de rechtbank niet toegekomen.

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld en onder verwijzing naar een rapportage van haar bezwaarverzekeringsarts gesteld dat de rapportage van De Mooij voor het aannemen van een urenbeperking geen grondslag biedt.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De verzekeringsarts, die bij haar onderzoek op 31 oktober 2005 een verbetering in het functioneren vaststelde, heeft De Mooij verzocht betrokkene te onderzoeken en te rapporteren om voldoende inzicht te verkrijgen in de psychische belastbaarheid van betrokkene die toen al jaren niet meer in verband met zijn psychische klachten werd behandeld. Op de vraag van de verzekeringsarts om na beschrijving van de diagnose de beperkingen voor het verrichten van arbeid te benoemen en aan te geven of een urenbeperking aan de orde is, heeft De Mooij geantwoord: ‘Op grond van het bovenstaande is betrokkene beperkt ten aanzien van stress, tempodruk en persoonlijke krenking. Het beste zal hij functioneren in een betrekkelijk solitaire functie. Voor een urenrestrictie zie ik geen indicatie.’ Op de vragen de verzekeringsarts naar adviezen voor behandeling van betrokkene en een inschatting van de prognose heeft De Mooij, onder andere, geantwoord: ‘Mocht hij arbeidsgeschikt verklaard worden dan zal dit een grote verandering geven in het bestaand evenwicht waarbij waarschijnlijk toename van de stressklachten zal plaatsvinden. Behandeling is dan zeker geïndiceerd.’ en ‘Het kan zijn dat bij toename van de stress, hij meer ziektegedrag gaat vertonen maar het kan ook zijn dat hij in staat is om dan een nieuw gezonder evenwicht te vinden.’

4.2. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsartsen in de rapportage van De Mooij, wiens bevindingen tijdens zijn onderzoek aansloten bij die van de verzekeringsarts, de onderbouwing konden vinden van het standpunt dat in de FML geen beperking van werktijden behoefde te worden opgenomen. De Mooij heeft de vraag naar de noodzaak van een urenbeperking zonder enig voorbehoud ontkennend beantwoord. Zijn mening dat een urenbeperking niet is geïndiceerd sluit aan bij zijn beschrijving van de psychische situatie van betrokkene ten tijde van zijn onderzoek en zijn oordeel dat de symptomatologie onvoldoende is om te voldoen aan de criteria van een as I- of as II-stoornis in de DSM IV-classificatie. In de beschikbare medische gegevens, waaronder het door betrokkene overgelegde behandelplan, ziet de Raad geen aanwijzingen dat met de in de FML neergelegde beperkingen de belastbaarheid van betrokkene is overschat. Dat de kans bestaat dat betrokkene, als hij met het verrichten van werkzaamheden aanvangt, een toename van stressklachten ervaart en dat dan een behandeling is aangewezen, waarvan de aard, duur en intensiteit op voorhand in het geheel niet vaststaan, is naar het oordeel van de Raad geen reden om bij een theoretische schatting een urenbeperking nodig te oordelen.

4.3. De Raad concludeert dat het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag berust. Dat betekent dat het hoger beroep van appellant slaagt.

5.1. De Raad heeft zich vervolgens beraden op de vraag of de zaak naar de rechtbank moet worden teruggewezen voor beoordeling van de tegen de arbeidskundige kant van de schatting gerichte beroepsgronden. In aanmerking nemend dat de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft en partijen de Raad ter zitting hebben verzocht de zaak zelf af te doen, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend.

5.2. De bezwaararbeidsdeskundige heeft als geschikt voor betrokkene gehandhaafd de functies van productiemedewerker textiel, operator voedingsmiddelenindustrie en wikkelaar/samensteller. Voor zover sprake is van signaleringen in de Resultaten functiebeoordeling heeft zij in haar rapportage van 18 oktober 2006 toegelicht dat de belasting in de functies niet in de weg staat aan het vervullen daarvan door betrokkene. De toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige voldoet naar het oordeel van de Raad aan de eisen die daaraan op grond van de jurisprudentie worden gesteld voor zover die ziet op de functies van productiemedewerker textiel en wikkelaar/samensteller.

5.3. De Raad volgt appellant niet in de opvatting dat de bezwaararbeidsdeskundige met de verstrekte toelichting ook voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de functie van operator voedingsmiddelenindustrie voor betrokkene geschikt is. In het Resultaat functiebeoordeling van deze functie wordt bij de items 4.14 (tillen) en 4.15 (dragen) vermeld dat tijdens één werkuur eenmaal ongeveer 25 kilogram moet worden getild en gedragen. In een toelichting is neergelegd dat het gaat om op vrijdagen tillen en enkele meters dragen van een vat reinigingsmiddel dat 23 kilogram weegt. Deze belasting gaat de in de FML neergelegde mogelijkheden van betrokkene ten aanzien van tillen en dragen te boven. Tillen en dragen is door de verzekeringsarts gescoord met een normaalwaarde, maar daarbij is wel vastgelegd dat 15 kilogram het maximum is. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de functiebelasting niettemin akkoord bevonden, omdat tillen en dragen van het gewicht van 23 kilogram incidenteel voorkomt en de functionaris samen met een collega zou kunnen tillen en dragen of dit onderdeel van zijn taak volledig aan een collega zou kunnen overlaten. De Raad stelt vast dat, zo een wekelijks terugkerende overschrijding van de belastbaarheid nog als incidenteel zou kunnen worden aangeduid, uit de beschrijving van de functie van operator voedingsmiddelenindustrie niet blijkt dat voor het tillen en dragen van het vat reinigingsmiddel op vrijdagen steeds de hulp van een collega beschikbaar is. De Raad acht de veronderstelling van de bezwaararbeidsdeskundige dat de functionaris zelf zou kunnen besluiten een tot zijn taak behorende activiteit over te dragen aan een collega niet in overeenstemming met de vastlegging van de inhoud en belasting van de functie als beschreven in het Resultaat functiebeoordeling.

5.4. De Raad concludeert dat de functie van operator voedingsmiddelenindustrie in verband met de overschrijding van de belasting op de items tillen en dragen niet voor betrokkene geschikt is. De resterende twee functies zijn onvoldoende om de schatting te dragen, zodat het bestreden besluit een voldoende arbeidskundige grondslag ontbeert en om die reden voor vernietiging in aanmerking komt.

5.5. Dat betekent dat de Raad de aangevallen uitspraak zal bevestigen, zij het op geheel andere gronden. Appellant zal opnieuw met inachtneming van de overwegingen van de Raad op het bezwaar van betrokkene moeten beslissen.

6. Met betrekking tot de door partijen gevoerde discussie over het aan de – niet houdbaar gebleken – schatting ten grondslag gelegde maatmaninkomen oordeelt de Raad ten overvloede als volgt. Appellant heeft het maatmanloon niet vastgesteld op de verdiensten van betrokkene in de laatste voor zijn uitval uitgeoefende functie van verkoper maar op die in de voorlaatste functie van monteur kozijnen. Aan het besluit om af te wijken van het uitgangspunt dat de laatst verrichte arbeid maatgevend is, heeft de arbeidsdeskundige ten grondslag gelegd de korte duur van het dienstverband van betrokkene met [naam werkgever] Trading (hierna: [naam werkgever]) en de invulling van de werkzaamheden. De Raad stelt vast dat betrokkene op 1 juni 1991 bij [naam werkgever] als verkoper in dienst is getreden. Nu hij ruim tweeënhalve maand later, op 19 augustus 1991, is uitgevallen, heeft de arbeidsdeskundige ten onrechte aangenomen dat betrokkene slechts vier weken voor [naam werkgever] heeft gewerkt. De Raad ziet verder in de invulling van de werkzaamheden van betrokkene door [naam werkgever] geen aanknopingspunten voor de opvatting dat de arbeid niet maatgevend kan zijn. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting van de Raad uiteengezet dat betrokkene gestart is met de overeengekomen verkoopwerkzaamheden, waarvoor hij ook de kwalificaties had, en dat zijn werkzaamheden later een ander accent kregen door het besluit van zijn werkgever om in zijn bedrijfsgebouw een asielzoekerscentrum op te zetten. Bij de toekenning van de WAO-uitkering heeft appellant het dagloon van betrokkene gebaseerd op zijn verdiensten bij [naam werkgever]. Een onderzoek naar de geschiktheid van de laatst verrichte arbeid liet appellant toen achterwege. De bewijslast en het bewijsrisico van de na zo lange tijd alsnog opgeworpen stelling dat de laatst verrichte arbeid bij [naam werkgever] voor betrokkene niet geschikt was, rust in verregaande mate op appellant. De Raad is van oordeel dat de door de arbeidsdeskundige in zijn rapportage van 11 april 2006 genoemde feiten de opvatting van appellant dat de maatman van betrokkene de monteur kozijnen is, niet kunnen dragen.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.L. de Gier.

KR