Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH5214

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2009
Datum publicatie
12-03-2009
Zaaknummer
06-6484 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Aanpassing maatmaninkomen. (On)geoefende haringschoonmaakster? Voldoende medische grondslag. Beroep ten aanzien van medische geschiktheid functies slechts onderbouwd met in algemene zin geformuleerde bezwaren. Eerst ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde in de pleitnota per geduide functie de bezwaren gespecificeerd. Aangezien het voor de gemachtigde van het Uwv niet mogelijk was hierop in te gaan en niet valt in te zien dat deze specificatie niet eerder had kunnen worden ingebracht, acht de Raad deze wijze van procederen in strijd met de goede procesorde en zal derhalve aan dit onderdeel van de pleitnota voorbijgaan. Het aanvankelijk vastgestelde maatmaninkomen vormt geen reële afspiegeling van de verdiencapaciteit. Functie zonder voorafgaande ervaring slechts kort vervuld. Bovengemiddelde productie en ontvangst hoge loon niet geloofwaardig. De aanpassing per een toekomende datum van de maatmanloon is niet in strijd met de in de jurisprudentie van de Raad geformuleerde uitgangspunten voor het terugkomen op een eenmaal vastgesteld maatmaninkomen. Aangezien eerst in hoger beroep alle signaleringen zijn toegelicht, wordt bestreden besluit vernietigd met in standlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6484 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 november 2006, 06/1782 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige M.J.M. Boers van 19 juli 2007 en een aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 juli 2007 overgelegd.

Het Uwv heeft op 16 september 2008 vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2009.

Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als haringschoonmaakster toen zij zich met ingang van

8 augustus 2002 ziek meldde wegens zwangerschapscomplicaties. Het Uwv heeft appellante bij besluit van 27 november 2003, na afloop van de wettelijke wachttijd, met ingang van 28 november 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2.1. Appellante is in het kader van een herbeoordeling op 16 maart 2003 onderzocht door de arts I. Eygür. Deze arts concludeerde in zijn rapport van dezelfde datum, na weging van de anamnese en de resultaten van zijn eigen onderzoek, dat ten aanzien van appellante algemene beperkingen golden ten aanzien van fysiek zware inspanning en omgevingsfactoren in verband met suikerziekte en astma. In het bijzonder gaf Eygür aan dat geen sprake was van ernstige psychopathologie, maar dat wel beperkingen te stellen waren aan het kunnen omgaan met afleiding, storingen, plotse veranderingen, tijdsdruk en deadlines. Eygür legde de beperkingen vast in een FML van 17 maart 2005. Vervolgens stelde de arbeidsdeskundige A.M. Zierikzee in een rapport van 1 april 2005 na functieduiding vast dat indeling van appellante in de arbeidsongeschiktheidsklasse 0 tot 15% aan de orde was. Daarbij gaf Zierikzee aan dat de maatman, anders dan voorheen aangenomen, 40 uur per week werkzaam was. Voorts berekende hij, mede op basis van verkregen informatie bij een vergelijkbaar bedrijf over de productie van een ervaren en van een gemiddelde snijdster, het stukloon per haring en uitgaande van het feit dat appellante geen ervaring had met het werk van de maatman, het maatmaninkomen op € 10,32 per uur in plaats van op het eerder naar zijn mening te hoog vastgestelde uurloon van € 19,99. Zierikzee ging daarbij voorbij aan het loon dat per kas was uitbetaald aan appellante volgens de loonstroken over de weken 21 t/m 24 en 25 t/m 28 van 2002 en baseerde zich op de loonstrook over de weken 29 t/m 32 van dat jaar aan de hand waarvan hij berekende dat appellante gemiddeld 1321 haringen per dag zou schoonmaken, hetgeen het meest overeen kwam met de productie van een gemiddelde schoonmaakster. Hierna trok het Uwv bij besluit van 8 april 2005 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 2 juni 2005 in.

2.2. In de bezwaarprocedure onderschreef de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn in een rapport van 18 november 2005 de door Eygür vastgestelde FML. Hij woog daarbij de beschikbaar gekomen informatie van onderscheidenlijk de huisarts, de neuroloog en de psychiater van respectievelijk 18 augustus 2005, 8 en 14 november 2005 en 9 november 2005. Uit die informatie leidde hij niet af dat de belastbaarheid van appellante diende te worden bijgesteld. Bij aanvullend onderzoek na de hoorzitting op 12 augustus 2005 stelde Van Duijn vast dat wat betreft de handproblematiek sprake was van een carpaal tunnelsyndroom waarvoor behandeling met een injectie plaatsvindt en dat er voorts sprake was van enige stemmingsproblematiek bij een redelijk aanpassingsvermogen. Voorts lichtte Zierikzee op 7 juli 2005 en - aan de hand van de ingebrachte bezwaren - de bezwaararbeidsdeskundige J.A.M Snijders in een rapport van 26 januari 2006 de medische geschiktheid van de geduide functies toe. Het Uwv verklaarde hierna bij besluit van 17 februari 2006 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 april 2005 ongegrond.

3.1. In beroep keerde appellante zich tegen de visie van Van Duijn over de FML, de motivering van de medische geschiktheid van de geduide functies en de aanpassing van het maatmanloon en diende zij tevens een jaaropgave van de werkgever in.

3.2. Het Uwv stelde in een brief van 7 september 2006 dat de in 3.1. vermelde jaaropgave niet bewijst dat appellante als ongeoefende haringschoonmaakster een tweemaal zo hoge als de normale productie zou hebben gehaald.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 17 februari 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

4.2. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Daarbij heeft zij gewezen op het onderzoek en de conclusies van Eygür en Van Duijn, op het feit dat Van Duijn de in overweging 2.2 vermelde informatie van de behandelaars van appellante heeft meegewogen en dat van de zijde van appellante geen medische stukken in het geding zijn gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv.

4.3. De rechtbank achtte voorts de medische geschiktheid van de geduide functies voldoende toegelicht in de in overweging 2.2 vermelde arbeidskundige rapporten. Wat betreft de aanpassing van het maatmaninkomen oordeelde de rechtbank dat niet aannemelijk is gemaakt dat het Uwv uitging van een onjuist maatmaninkomen en wees zij erop dat het Uwv aan de herziening van dit inkomen geen terugwerkende kracht heeft verleend.

5. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante het eerder voorgedragen standpunt, dat de beperkingen in de FML onjuist zijn weergegeven herhaald. Voorts heeft de gemachtigde in algemene zin aangegeven dat de geduide functies niet vervuld kunnen worden vanwege de beperkingen van appellante in met name de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren) van de FML.Ten slotte heeft de gemachtigde de bezwaren tegen de aanpassing van het maatmaninkomen herhaald en gesteld dat na aanpassing dit inkomen niet in overeenstemming is met de werkelijke verdiensten van appellante.

6.1. De Raad overweegt dat hij in het hoger beroep van appellante geen aanknopingspunten heeft gezien voor een ander oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit dan de rechtbank heeft gegeven. In dit verband wijst de Raad erop dat van de zijde van appellante ter zitting is erkend dat er ook in hoger beroep geen medische informatie beschikbaar is ter onderbouwing van het standpunt dat de FML onjuist is vastgesteld.

6.2.1. De Raad stelt wat betreft de medische geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies voorop dat de gemachtigde in het hoger beroepschrift de gronden op dit punt alleen in algemene zin heeft geformuleerd zonder per geduide functie specifiek aan te geven welk belastend aspect de in de FML geformuleerde belastbaarheid ten aanzien van met name het persoonlijk en sociaal functioneren naar de mening van appellante overschrijdt. Eerst ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde in de pleitnota per geduide functie de bezwaren gespecificeerd. De Raad acht, mede gelet op de reactie hierop van de gemachtigde van het Uwv, welke inhield dat het niet mogelijk was ter zitting op deze specificatie in de pleitnota in te gaan, en in aanmerking genomen dat niet valt in te zien dat deze specificatie niet eerder had kunnen worden ingebracht, deze wijze van procederen in strijd met de goede procesorde en zal derhalve aan dit onderdeel van de pleitnota voorbijgaan.

6.2.2. Louter op grond van de in hoger beroep in algemene zin geformuleerde bezwaren komt de Raad niet tot de conclusie dat de medische geschiktheid van de geduide functies onjuist is gemotiveerd. De Raad wijst in dit verband met name op de ook door de rechtbank aangehaalde en in overweging 2.2 vermelde arbeidskundige rapporten, waarin op de in de bezwaarfase specifieke geformuleerde bezwaren tegen de geduide functies is ingegaan. Dit neemt niet weg dat eerst in hoger beroep aan de hand van een aangepaste FML zonder beperkende toelichtingen in het in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapport van 19 juli 2007 alle signaleringen zijn toegelicht overeenkomstig de daaraan in de jurisprudentie van de Raad gestelde eisen.

6.3.1. Wat betreft het maatmaninkomen heeft het Uwv op 16 september 2008 naar aanleiding van vragen van de Raad gesteld het niet geloofwaardig te achten dat appellante de in de twee per kas uitbetaalde loonstroken vermelde bedragen ook daadwerkelijk heeft ontvangen en dat het gestelde hoge loon geen reële afspiegeling is van de verdiencapaciteit van een soortgelijke gezonde werknemer.

6.3.2. De Raad overweegt dat hij, gelet op de door Zierikzee gegeven motivering in zijn in overweging 2.1 vermelde rapport, met het Uwv van oordeel is dat het aanvankelijk voor appellante vastgestelde maatmaninkomen van € 19,99 geen reële afspiegeling vormt van de verdiencapaciteit van de soortgelijke gezonde werknemer. In dit rapport is genoegzaam gemotiveerd dat dit inkomen slechts zou kunnen worden verdiend door het behalen van een bovengemiddelde productie. Dat zulks in het geval van appellante, die deze functie zonder voorafgaande ervaring slechts drie maanden heeft vervuld en daarin uitviel met handklachten, het geval is geweest acht de Raad niet aannemelijk. De ter zitting gegeven verklaring door appellante die erop neerkomt dat zij voor indiensttreding een aantal malen in het bedrijf van werkgever heeft rondgekeken, dat zij goed in dit werk was en dat bij de - in verhouding tot het aantal gewerkte uren - lagere verdiensten op de per girorekening en niet per kas betaalde loonstrook het variabele aanbod aan haringen mede een rol heeft gespeeld, acht de Raad niet voldoende. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat juist in die periode het aantal gewerkte dagen nauwelijks verschilde van één van de per kas betaalde loonstroken. Voorts wijst de Raad erop dat appellante in hoger beroep geen bewijs heeft kunnen leveren van de daadwerkelijke ontvangst van de in de per kas betaalde loonstroken vermelde bedragen.

6.3.3 Gelet op het overwogene in 6.3.2. concludeert de Raad dat de aanpassing per een toekomende datum van het maatmanloon, zoals dit bij het bestreden besluit is gehandhaafd, niet in strijd komt met de in zijn jurisprudentie geformuleerde uitgangspunten voor het terugkomen op een éénmaal vastgesteld maatmaninkomen, zoals naar voren komt in zijn uitspraken van bijvoorbeeld 17 augustus 1989 (RSV 1990,79) en 18 december 1998 (RSV 1999,56).

6.4. De vaststelling in de slotzin van overweging 6.2.2 leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit eveneens moet worden vernietigd. Gelet echter op de overwegingen 6.1, 6.2.2 met uitzondering van die slotzin, alsmede 6.3.1 t/m 6.3.3, ziet de Raad aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten. Dit brengt tevens mee dat er geen aanleiding is tot inwilliging van de in hoger beroep gevorderde renteschade.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

Gelet op overweging 6.4 is er echter geen grond voor vergoeding van de in de bezwaarfase gevorderde kosten van rechtsbijstand in die fase.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en P.J. Stolk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tasson-Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) J.M. Tasson-Avila.

KR