Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH5176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
09-03-2009
Zaaknummer
07-2809 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Het Uwv heeft genoegzaam aannemelijk gemaakt dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde FML op een deugdelijke feitelijke grondslag berust. De aan appellant geduide functies zijn in medisch opzicht geschikt te achten. Het Uwv heeft het bestreden besluit van een genoegzame onderbouwing voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2809 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 april 2007, 06/675

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.P.A. Snijders, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 december 2008 (met bijlagen) heeft het Uwv een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Hilten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk gedurende 38 uur per week werkzaam geweest als montage medewerker. Per 25 september 2001 heeft appellant zich, terwijl hij van het Uwv een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld wegens psychische problematiek. In april 2002 heeft appellant bij een steekpartij een steekwond in de buik en wonden aan het hoofd opgelopen. Daarna heeft hij aanvallen gehad, waarbij aan epilepsie werd gedacht. Per einde wachttijd, 24 september 2002, is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Op basis van een medisch en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 2 december 2004 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 30 januari 2005 ingetrokken, onder de overweging dat appellant vanaf die datum niet langer, althans minder dan 15%, arbeidsongeschikt was in de zin van de wet. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 februari 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2004 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat zij in de aanwezige medische gegevens, waaronder de bevindingen van de verzekeringsarts M. de Rooij, neergelegd in een rapportage d.d. 11 november 2004, en de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker, neergelegd in rapportages van 5 december 2005 (aangevuld op 2 februari 2006), geen aanknopingspunten heeft gevonden om tot het oordeel te komen dat het Uwv de medische beperkingen van appellant - zowel op het fysieke als het psychische vlak - heeft onderschat. Het onderzoek naar de medische beperkingen van appellant achtte de rechtbank voldoende zorgvuldig en naar haar oordeel kon het Uwv uit de beschikbare medische gegevens, waaronder de informatie van klinisch psycholoog K.A. Beers, op juiste gronden overwegen dat appellant belastbaar is met arbeid. Hetgeen appellant in beroep naar voren heeft gebracht, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv naar haar oordeel in voldoende mate heeft toegelicht waarom de aan appellant geduide functies voor appellant als passend kunnen worden aangemerkt. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts Jonker van 16 november 2006 en de bezwaararbeidsdeskundige mr. J.J. van der Naald van 24 november 2006, alsmede de rapportage notities functiebelasting van Jonker en Van der Naald, gedateerd 24 januari 2006. Op grond van de resterende verdiencapaciteit, berekend aan de hand van de aan appellant geduide functies, moet appellant voor minder dan 15% arbeidsongeschikt worden geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv om die reden het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2004 bij het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden aan het laten vervallen door de bezwaarverzekeringsarts Jonker van een beperking die door de verzekeringsarts De Rooij in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 november 2004 wel was opgenomen, te weten de beperking dat appellant is aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht (veelvuldige feedback) en/of onder specifieke begeleiding wordt uitgevoerd. Appellant heeft gesteld dat de bezwaarverzekeringsarts Jonker onvoldoende heeft onderbouwd waarom die beperking ten onrechte in de FML was opgenomen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de aan hem geduide functies niet voldoen aan evengenoemde beperking, zodat deze functies niet aan de onderhavige schatting ten grondslag kunnen worden gelegd.

4. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat de aanpassing van de FML van 11 november 2004 door de bezwaarverzekeringsarts Jonker op goede gronden is geschied en hij heeft ter onderbouwing van dit standpunt een nadere rapportage van deze bezwaarverzekeringsarts, gedateerd 29 juni 2007, overgelegd.

5. Het oordeel van de Raad.

5.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde FML van 5 december 2005 op een deugdelijke feitelijke grondslag berust. Bezwaarverzekeringsarts Jonker heeft in haar rapportage van diezelfde datum aangegeven dat zij appellant ook in staat acht tot arbeid, die niet onder intensieve begeleiding hoeft te worden gedaan, en zij heeft de FML van 11 november 2004 op dat punt aangepast. Jonker heeft dit standpunt nader onderbouwd in haar rapportage van 29 juni 2007. Zij heeft zich, blijkens genoemde rapportage, in de eerste plaats gebaseerd op een psychologisch heronderzoek van appellant medio 2004, waaruit naar voren is gekomen dat appellant op dat moment beter functioneerde dan tijdens het psychologisch testonderzoek in januari 2003 (de Raad leest: november 2002), zij het dat er nog lichte woordvindingsstoornissen en lichte stoornissen op het gebied van geheugen en concentratie werden gevonden. Voorts heeft zij gewezen op het functioneren van appellant ten tijde van het medisch onderzoek in november 2004, met name het feit dat appellant weer mocht autorijden en dat ook deed, uit welk functioneren zij afleidde dat appellant in cognitief opzicht weer redelijk functioneerde. Appellant had een revalidatieprogramma gevolgd, gericht op geheugenstrategieƫn, en hij gebruikte minder alcohol en joints dan voorheen. Ook gelet op het bij het heronderzoek van appellant vastgestelde IQ van 106 achtte Jonker geen intensieve begeleiding bij arbeid nodig. De Raad acht hiermee het laten vervallen van de in de FML van 11 november 2004 opgenomen beperking dat appellant is aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht (veelvuldige feedback) en/of onder specifieke begeleiding wordt uitgevoerd, genoegzaam onderbouwd. De in hoger beroep aangevoerde beroepsgrond kan derhalve niet slagen.

5.2. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, de aan appellant geduide functies in medisch opzicht voor hem geschikt zijn te achten. Het Uwv heeft het bestreden besluit naar het oordeel van de Raad ook op dit aspect van een genoegzame onderbouwing voorzien.

5.3. Op grond van hetgeen hij onder 5.1 en 5.2 heeft overwogen, is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellant geen doel treft.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en

H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij

CVG