Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH5155

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2009
Datum publicatie
09-03-2009
Zaaknummer
07-5523 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Juiste vaststelling medische beperkingen. Geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige. Het Uwv heeft de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functie in voldoende mate aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5523 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 augustus 2007, 06-11019

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2009, waar appellante niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is groepshulp geweest op een kinderdagverblijf en is op 11 oktober 1999 als gevolg van psychische klachten (ontstaan in aansluiting op een bevalling) uitgevallen. Na afloop van de wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellante onderzocht door de verzekeringsarts J.N.H. Bos, die in zijn rapport van 16 januari 2006 tot de conclusie is gekomen dat de in het verleden beschreven psychische klachten op de achtergrond zijn geraakt. Wel is er nog sprake van locomotore klachten aan de armen, rug, de rechterheup en de benen. Met inachtneming van de uit deze klachten voortvloeiende beperkingen heeft hij een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens is de registerarbeidsdeskundige A.J. Vervoort in zijn rapport van 26 april 2006 tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen functie maar nog wel voor een aantal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op minder dan 15%. Bij besluit van 15 mei 2006 is appellante meegedeeld dat haar uitkering met ingang van 16 juli 2006 wordt ingetrokken.

1.3. In bezwaar heeft appellante gesteld dat zij als gevolg van zowel lichamelijke als psychische klachten meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij nog medische informatie uit de behandelende sector overgelegd. Nadat de bezwaarverzekeringsarts H.B.M. Hesse in zijn rapport van 21 september 2006 de voor appellante vastgestelde FML had onderschreven, heeft het Uwv bij besluit van 28 september 2006 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2.1. In beroep heeft appellante dezelfde gronden naar voren gebracht als in bezwaar. Zij is van mening dat het Uwv geen zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht. Bij schrijven van 22 mei 2007 heeft het Uwv nog een rapport van debezwaararbeidsdeskundige ingebracht, waarin een nadere motivering van de geschiktheid van appellante voor de geselecteerde functies is gegeven.

2.2. De rechtbank heeft zich met de medische component van het bestreden besluit kunnen verenigen. De rechtbank heeft het bestreden besluit echter vernietigd omdat het Uwv pas in beroep de geschiktheid van appellante voor de geselecteerde functies in voldoende mate heeft aangetoond. De rechtbank heeft evenwel met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daarnaast heeft rechtbank bepaald dat het door appellante betaalde griffierecht voor vergoeding in aanmerking komt.

3. Appellante heeft hoger beroep ingesteld, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Daarbij heeft zij herhaald dat het medische onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Voorts heeft zij gesteld dat de klachten ten tijde van het onderzoek door de primaire arts minder erg waren dan ten tijde van het bestreden besluit. Er is onvoldoende aandacht geschonken aan de in bezwaar overlegde medische informatie. Tevens is zij van mening dat de rechtbank een deskundige had moeten inschakelen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Naar het oordeel van de Raad hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen een zorgvuldig medisch onderzoek ingesteld naar de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende klachten. De verzekeringsarts heeft appellante onderzocht en heeft een FML opgesteld. Deze FML is door de bezwaarsverzekeringsarts onderschreven nadat hij appellante tijdens de hoorzitting had gezien en hij de door appellante in bezwaar overgelegde medische informatie had beoordeeld. Met de stelling van appellante dat geen aandacht is geschonken aan de in bezwaar door haar overgelegde medische informatie kan de Raad zich dan ook niet verenigen. Voorts kan de Raad de conclusie van deze artsen dat er geen sprake meer is van beperkingen als gevolg van psychische klachten niet voor onjuist houden. Daarbij heeft de Raad in overweging genomen dat appellante al geruime tijd niet meer onder behandeling is voor deze klachten. Evenmin is de Raad tot de conclusie kunnen komen dat de beperkingen die uit de lichamelijke klachten van appellante voortvloeien door het Uwv zijn onderschat. De Raad kan zich dan ook verenigen met de medische component van het bestreden besluit. Voor het inschakelen van een deskundige ziet de Raad, evenals de rechtbank, geen aanleiding.

4.2. Aangezien de Raad voorts van oordeel is dat het Uwv de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functie in voldoende mate heeft aangetoond, is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op

6 maart 2009.

(get.) A.T. de Kwaasteniet.

(get.) A.C. Palmboom.

CVG