Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH5148

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2009
Datum publicatie
09-03-2009
Zaaknummer
07-5555 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De rechtbank heeft terecht het advies van zijn ingeschakelde deskundige gevolgd. Geen sprake van bijzondere omstandigheden die aanleiding hadden moeten vormen om van het advies van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige af te wijken. Het Uwv heeft eerst in hoger beroep voldoende overtuigend onderbouwd, dat appellante met de voor haar in de FML opgenomen beperkingen in staat moet worden geacht de geduide functies uit te oefenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5555 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 augustus 2007, 06/1120 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.F.J. Witlox, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 23 januari 2009. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen en hebben de Raad daarvan tevoren op de hoogte gesteld. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Appellante ontving sinds 13 januari 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van 20 september 2005 heeft het Uwv per 1 november 2005 de WAO-uitkering van appellante ingetrokken, omdat zij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden geacht. Bij besluit van 20 januari 2006 zijn de bezwaren van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan de intrekking van de uitkering ligt ten grondslag dat appellante weer in staat wordt geacht om met haar beperkingen in voor haar geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat haar mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 20 januari 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit. De rechtbank heeft zich daarbij vooral gebaseerd op een op haar verzoek op 8 november 2006 uitgebracht deskundigenadvies door de psychiater B.J. van Eyk.

3.1. Het hoger beroep richt zich tegen de beslissing van de rechtbank om het intrekkingbesluit in stand te laten. Appellante is van mening dat niet de visie van de deskundige Van Eyk, doch die van haar behandelend psychiater Y. Güzelcan gevolgd had moeten worden.

3.2. Het Uwv is van oordeel dat de rechtbank terecht haar deskundige heeft gevolgd. Door het overleggen van een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zonder zogenoemde verborgen beperkingen en van een nadere rapportage van haar bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv voorts nog nader onderbouwd dat appellante in staat moet worden geacht met haar beperkingen de haar geduide functies te verrichten. Ter zitting is namens het Uwv in dit verband gesteld dat met overlegging van deze stukken het intrekkingsbesluit voldoende is gemotiveerd en dat dat voor de Raad aanleiding dient te zijn de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Zoals het Uwv bij verweer juist heeft aangegeven dient de bestuursrechter volgens de vaste jurisprudentie van de Raad, in beginsel het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige te volgen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding vormen van het advies van de deskundige af te wijken. In dit geval had de psychiater Van Eyk de beschikking over de informatie van de appellante behandelende psychiater Güzelcan. De deskundige deelt echter niet de visie van deze psychiater, maar is van mening dat appellante niet op grond van objectieve afwijkingen, die het gevolg zijn van een ziekte of gebrek, buiten staat is arbeid te verrichten. De deskundige kan instemmen met de beperkingen van appellante zoals die door de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn geformuleerd en acht appellante in staat de geduide functies uit te oefenen. De Raad is van oordeel dat uit zijn rapport blijkt dat de deskundige op zorgvuldige en concludente wijze tot zijn advies is gekomen. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding hadden moeten vormen om van dat advies af te wijken is niet gebleken. De rechtbank heeft dit advies terecht gevolgd.

4.2. Op basis van de gedingstukken, waaronder de door het Uwv in hoger beroep overgelegde FML en de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige, is de Raad voorts van oordeel dat door het Uwv voldoende overtuigend is onderbouwd, dat appellante met de voor haar in de FML opgenomen beperkingen in staat moet worden geacht de geduide functies uit te oefenen.

4.3. Gelet ook op hetgeen hieromtrent namens het Uwv is aangevoerd, is de Raad wel van oordeel dat eerst door het overleggen in hoger beroep van de genoemde rapportages het intrekkingsbesluit deugdelijk is gemotiveerd.

5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 20 januari 2006 zal worden vernietigd, omdat dat niet berust op een deugdelijke motivering. Nu die motivering in hoger beroep voldoende is aangevuld, ziet de Raad echter aanleiding de rechtsgevolgen van het genoemde besluit geheel in stand te laten.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 20 januari 2006;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 20 januari 2006 in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644, - te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 143, - vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op

6 maart 2009.

(get.) A.T. de Kwaasteniet.

(get.) A.C. Palmboom.

KR