Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4983

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
07/3503 WAZ + 08/5406 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAZ-uitkering 25-35%. Bij nader besluit vaststelling 25-35% gehandhaafd. Voldoende medische grondslag. Onvoldoende arbeidskundige grondslag. Geduide werkzaamheden niet te vergelijken met de werkzaamheden in de varkenshouderij. Niet is komen vast te staan dat appellant aan de opleidings- dan wel ervaringseisen voldoet ingeduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3503 WAZ

08/5406 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 april 2007, 06/4033 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn toenmalige gemachtigde, mr. L.I. Olivier, hoger beroep ingesteld en nadien een rapport van de orthopedisch chirurg dr. Ph.J. Edixhoven van 5 juni 2007 overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij gevoegd een nieuw besluit op bezwaar van 14 november 2007 en de reactie van de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz van 19 november 2007 op het rapport van Edixhoven.

Bij brief van 16 oktober 2008 heeft mr. A. Bijlsma, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand, gevestigd te Tilburg, zich als opvolgend gemachtigde gesteld en een brief van de reumatoloog R.A.M. Traksel van 15 juni 2007 overgelegd. Op 10 november 2008 heeft mr. Bijlsma de gronden van het hoger beroep verder aangevuld.

Het Uwv heeft op 14 november 2008 de reactie van Deitz op de brief van Traksel ingediend en op 17 november 2008 de reactie van de bezwaararbeidsdeskundige C.H.J. de Vries-van Hulten van dezelfde datum op de brieven van mr. Bijlsma.

Desgevraagd op 27 november 2008 heeft mr. Bijlsma op die dag enige diploma’s van appellant overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2008.

Appellant is - met kennisgeving - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.A.G.T. Heijmans.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als zelfstandig varkenshouder toen hij zich met ingang van 13 juli 2004 arbeidsongeschikt meldde met klachten aan het bewegingsapparaat.

1.2. Appellant is op 8 november 2005 onderzocht door de verzekeringsarts M.H.G.M. Zweipfenning. In zijn rapport van 8 november 2005 concludeerde deze arts dat appellant beperkingen ondervond voor zwaar fysieke, dynamische en statische belastingen vooral ten aanzien van rug, heup, knie en schouder. Zijn bevindingen legde de arts vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 8 november 2005. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding vastgesteld dat geen sprake was van verlies aan verdienvermogen. Dienovereenkomstig weigerde het Uwv aan appellant op 21 december 2005 met ingang van 12 juli 2005 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

2. In de bezwaarprocedure kreeg de bezwaarverzekeringsarts Deitz de beschikking over informatie van de behandelend orthopedisch chirurg. Deze specialist concludeerde op 13 april 2005 dat sprake was van degeneratieve rugklachten zonder evidente wortelcompressie en milde coxarthrosis. Voorts gaf hij op 20 juni 2005 aan dat een aanvullende foto van de knieën beiderzijds geen afwijkingen toonde. Volgens Deitz in een rapport van 7 juni 2006 kwam de informatie van deze specialist overeen met de bevindingen van Zweipfenning, hetgeen inhield dat er bij appellant lichte afwijkingen waren vastgesteld en slechts geringe functionele beperkingen waren te objectiveren. Deitz zag dan ook geen aanleiding om de FML te herzien. Vervolgens corrigeerde de bezwaararbeidsdeskundige De Vries- van Hulten in een rapport van 27 juli 2006 het maatmaninkomen, stelde vast dat appellant, gezien zijn opleiding en in aanmerking genomen het feit dat hij een eigen bedrijf heeft, voldeed aan het vereiste van commerciële ervaring in de functie media adviseur (SBC-code 516180) en berekende zij het verlies aan verdienvermogen op 30,29%. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 18 augustus 2006 (besluit 1) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 december 2005 gegrond en werd vastgesteld dat appellant met ingang van 12 juli 2005 een WAZ-uitkering toekwam op basis van de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%. Tevens gaf het Uwv appellant een vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar.

3.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant gegrond, vernietigde besluit 1 met uitzondering van de bepalingen omtrent de proceskosten in bezwaar en gaf tevens beslissingen over vergoeding aan appellant van griffierecht en proceskosten.

3.2. De rechtbank onderschreef onder verwijzing naar het in overweging 2 vermelde rapport van Deitz de medische grondslag van besluit 1. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van besluit 1 overwoog de rechtbank dat in het in overweging 2 vermelde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige, behoudens de items probleemoplossen en kortcyclisch torderen, de signaleringen bij de geduide functies niet van een toereikende motivering waren voorzien. Om deze reden oordeelde de rechtbank dat besluit 1 was genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en stelde zij vast dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar diende te nemen. In verband met dit laatste stelde de rechtbank tevens vast dat het Uwv de omvang van de maatman ten onrechte had gemaximeerd op 38 uur per week en dat in de functie telefonist, receptionist (SBC-code 315120) sprake was van structurele nachtarbeid, terwijl niet gebleken was dat appellant deze ook in de maatmanfunctie verrichtte.

4.1. In hoger beroep legde appellant ter ondersteuning van zijn standpunt dat zijn beperkingen door het Uwv onjuist zijn vastgesteld, de in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapporten van de orthopedisch chirurg Edixhoven en de reumatoloog Traksel over. Edixhoven stelde bij onderzoek op 15 mei 2007 vast dat pijnaangifte bij functietesten van de heupgewrichten objectiveerbaar was, dat sprake was van een flink progressieve coxarthrose aan de heupen beiderzijds en dat hij met betrekking tot de andere gewrichten geen afwijkingen vond. Vanwege zijn bevindingen diende volgens Edixhoven de FML op enkele onderdelen te worden aangepast. Traksel stelde bij onderzoek op 22 mei 2007 vast dat appellant sinds 1 jaar progressieve klachten aan de armen had, dat sprake was van beginnende artrose in de handen en een epicondylitis lateralis links meer dan rechts.

4.2. De in rubriek I van deze uitspraak vermelde reacties van Deitz op de rapporten van Edixhoven en Traksel hielden - kort gezegd - in dat de door Edixhoven voorgestelde aanvullende beperkingen in verband met de kennelijk toegenomen heuparthrose niet ten aanzien van de datum in geding te beargumenteren waren en dat het rapport van Traksel niet zag op de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding.

5.1. De bezwaararbeidsdeskundige De Vries-van Hulten gaf in een rapport van 11 oktober 2007 aan dat de SBC-code 315120 vanwege structureel nachtwerk diende te vervallen en raadpleegde andermaal het CBBS, hetgeen er toe leidde dat uiteindelijk aan de schatting drie functies, waarvan één nieuwe, ten grondslag werden gelegd en nog twee reservefuncties werden geselecteerd. De Vries-Hulten berekende voorts, uitgaande van een maatmanomvang van 40 uur per week, het verlies aan verdienvermogen op 6,94%.

5.2. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak en op basis van het in 5.1 vermelde arbeidskundige rapport nam het Uwv de in rubriek I van deze uitspraak vermelde nieuwe beslissing op bezwaar (hierna: besluit 2). Daarbij stelde het Uwv vast dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 12 juli 2005 gebaseerd bleef op 25 tot 35% omdat het door De Vries-van Hulten berekende verlies aan verdienvermogen op die datum voor appellant nadelig zou zijn en derhalve bij besluit 2 niet werd geëffectueerd.

6.1. De Raad stelt vast dat besluit 2 niet tegemoet komt aan het beroep van appellant tegen besluit 1. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Awb wordt het beroep tegen besluit 1 dan ook geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.

6.2.1. Wat betreft het door appellant in hoger beroep aangevochten oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van besluit 1 ziet de Raad geen aanleiding daarover een ander oordeel te geven. De Raad onderschrijft de in 4.2 vermelde reacties van Deitz op de rapporten van Edixhoven en Traksel. Hij tekent daarbij aan dat de behandelend orthopedisch chirurg in april/juni 2005 sprak van een milde coxarthrose, terwijl de bevindingen van Edixhoven, die overigens geen afwijkingen vond, op dit aspect ernstiger waren. Dit onderstreept de visie van Deitz dat na de datum in geding kennelijk sprake is geweest van een verergering van de coxarthrose. Gelet ook op de bevindingen van Zweipfenning en de behandelend orthopedisch chirurg ziet de Raad voorts geen aanknopingspunten om het standpunt van Deitz dat de conclusies van Traksel niet zien op de datum in geding, voor onjuist te houden.

6.2.2. Het overwogene in 6.2.1 leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voorover deze in hoger beroep is aangevochten, dient te worden bevestigd.

7.1.1. Met betrekking tot het mede tegen besluit 2 gericht geachte beroep van appellant overweegt de Raad inzake de arbeidskundige grondslag daarvan in de eerste plaats dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting naar aanleiding van de desgevraagd door de gemachtigde van appellant op 27 november 2008 ingestuurde diploma’s heeft verklaard dat het door appellant behaalde diploma Middelbaar Agrarisch Onderwijs, B-opleiding, volgens door de bezwaararbeidsdeskundige telefonisch verkregen informatie bij een MBO-school te Nijmegen is geschaald op MBO-niveau 3 en dat dit diploma derhalve niet voldoet aan de voor de functie commercieel medewerker (SBC-code 516110) gestelde opleidingseis van een diploma op MBO-niveau 4.

7.1.2. Ten aanzien van de functie transportplanner (SBC-code 484010) overweegt de Raad dat op de Arbeidsmogelijkhedenlijst van 11 oktober 2007 (hierna: Aml) als opleidingsvereiste is geformuleerd “HAVO diploma met talenpakket of MBO niveau”. Weliswaar verklaarde de gemachtigde van het Uwv ter zitting desgevraagd dat het in 7.1.1 vermelde diploma van appellant voldoet aan het in deze functie alternatief gestelde vereiste van MBO-niveau, maar hij kon ter zitting geen verklaring geven voor het verschil in niveau in het voor deze functie alternatief geformuleerde opleidingsvereiste. De Raad acht een verklaring daarvoor van belang, gelet op het feit dat in de door het Uwv gehanteerde “Hulptabel voor vaststelling Opleidingsniveau” het diploma van appellant is ingeschaald op niveau 4, terwijl het HAVO-diploma, evenals het MBO-diploma op niveau 4, is geplaatst in niveau 5. Mede gelet op de beschrijving van deze functie in het Resultaat Functiebeoordeling ligt het naar het oordeel van de Raad in de rede dat het HAVO-diploma met talenpakket een reële opleidingseis voor de functie is en dat niet valt in te zien dat elk MBO-diploma op MBO-niveau 3, en derhalve ook het diploma van appellant, dat is behaald met alleen het Nederlands als geëxamineerde taal, met dit specifieke HAVO-diploma kan worden gelijkgesteld door enkel een alternatieve formulering van het opleidingsvereiste.

7.1.3. Voor de functie media adviseur (SBC-code 516180) is in de Aml commerciële ervaring als vereiste gesteld. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft De Vries-van Hulten op 27 juli 2006 - kort gezegd - gesteld dat in de opleiding van appellant commerciële ervaring aan bod is gekomen en dat in de bedrijfsvoering van elke zelfstandige zaken aan de orde komen die vallen onder commerciële ervaring. De gemachtigde van appellant heeft op 10 november 2008 uitvoerig betwist dat in een landbouwbedrijf als dat van appellant commerciële ervaring aan de orde is en heeft in dit verband gewezen op het feit dat appellant een producent van vlees is dat niet door hemzelf maar in de keten door de winkelier aan de man wordt gebracht. In reactie hierop heeft De Vries-van Hulten op 17 november 2008 volstaan met verwijzing naar haar eerdere standpunt. De Raad is van oordeel dat het Uwv het standpunt van appellant onvoldoende heeft weerlegd. Uit het Resultaat functiebeoordeling van de functie media adviseur blijkt dat deze functionaris met het oog op de verkoop van meer advertentieruimte doet aan intensief relatiebeheer en dat 80% van de werkzaamheden hiermee en met het plegen van acquisitie verband houdt. Deze werkzaamheden zijn, naar het de Raad voorkomt en hem in algemene zin ook uit andere zaken bekend is, niet of nauwelijks te vergelijken, zeker wat betreft het commerciële aspect, met de werkzaamheden in de varkenshouderij van appellant. Ter zitting erkende de gemachtigde van het Uwv dat inderdaad sprake is van een geheel andere markt.

7.2. Gelet op hetgeen is overwogen in 7.1.1 t/m 7.1.3 is naar het oordeel van de Raad niet komen vast te staan dat appellant aan de opleidings- dan wel ervaringseisen voldoet in de in deze overwegingen besproken drie functies. Aldus zou de schatting slechts kunnen worden gebaseerd op twee SBC-codes, hetgeen in het licht van het geldende Schattingsbesluit onvoldoende is om een schatting in arbeidskundig opzicht te kunnen dragen. Besluit 2 is derhalve genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep tegen besluit 2 dient derhalve gegrond te worden verklaard, besluit 2 dient te worden vernietigd en het Uwv dient een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7.3. Ter voorlichting van appellant wijst de Raad erop dat het voorgaande niet zonder meer betekent dat hem met ingang van 12 juli 2005 een WAZ-uitkering naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid toekwam. In geding is immers een beoordeling van de aanspraak van appellant op een WAZ-uitkering na afloop van de wettelijke wachttijd en het staat het Uwv, anders dan bij een intrekking of herziening van een dergelijke uitkering, vrij om te bezien of de schatting, zonodig door een nadere duiding van functies, alsnog van een deugdelijke arbeidskundige grondslag kan worden voorzien.

8. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, welke worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand. De Raad ziet tevens aanleiding de kosten van het in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapport van de orthopedisch chirurg Edixhoven voor een bedrag van (8,15 uur x € 81,23 per uur =) € 662,05 op de voet van evengenoemd artikel voor vergoeding in aanmerking te brengen. De Raad tekent daarbij aan dat, beoordeeld aan de maatstaf aangelegd voor het inbrengen van een rapport van een deskundige zoals hier aan de orde - zoals die maatstaf al naar voren komt in zijn uitspraak van 13 april 2005 (LJN AT4323) - niet kan worden gezegd dat in dit geval degene die de onderhavige deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, er niet vanuit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijke relevante vraag.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt besluit 2;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 984,05 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.C.A. Wit.

GdJ