Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
07-5256 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Het Uwv heeft terecht het tantième niet betrokken in het maatmanloon. Appellante heeft nimmer een tantième genoten. Onvoldoende is komen vast te staan wat de hoogte van een mogelijk tantième zou zijn geweest. Ten slotte heeft appellante nooit in de functie van belastingadviseur gewerkt, zodat evenmin duidelijk is of zij, als zij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden, wel voor een tantième in aanmerking zou zijn gekomen. Onder deze omstandigheden is het tantième te speculatief van karakter om betrokken te kunnen worden in het maatmanloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5256 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 25 juli 2007, 06/11713 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J. Westra te Egmond aan den Hoef hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2009.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Westra. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F. Sitvast.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is op 28 oktober 1994 uitgevallen voor haar werk als fiscaal jurist met vermoeidheidsklachten en concentratieproblemen. In 1999 werd de diagnose post- whiplashsyndroom gesteld als gevolg van een val van een paard in 1993. Met ingang van 18 oktober 1995 is appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2. Nadat in het kader van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dit sedert 1 oktober 2004 luidt, (hierna: Schattingsbesluit 2004) medisch en arbeidskundig onderzoek had plaatsgevonden heeft het Uwv bij besluit van 11 mei 2006 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 20 juni 2006 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 mei 2006 heeft het Uwv ongegrond verklaard bij zijn besluit van 19 oktober 2006 (hierna: het bestreden besluit).

3.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Dat geldt ook voor de arbeidskundige grondslag, waarbij de rechtbank heeft overwogen geen aanleiding te zien het door het Uwv vastgestelde maatmanloon voor onjuist te houden.

3.2. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de vraag voorligt of de toepassing van het Schattingsbesluit 2004 al dan niet verenigbaar is met artikel 1 van Protocol nr. 1 bij het EVRM (EP). De rechtbank heeft vastgesteld dat voor zover de wijziging van het Schattingsbesluit er mede toe heeft geleid dat de uitkering van appellante is verlaagd, sprake is van een inbreuk op het door artikel 1 van het EP beschermde eigendomsrecht en ter toetsing voorligt of aan de voorwaarden voor een dergelijke inbreuk is voldaan. De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat de inbreuk op het eigendomsrecht van appellante gerechtvaardigd is, zodat de toepassing van het Schattingsbesluit 2004 niet in strijd is te achten met artikel 1 van het EP.

4. Appellante heeft in hoger beroep in hoofdzaak aangevoerd dat het medisch oordeel onzorgvuldig tot stand is gekomen nu geen informatie is gevraagd aan de behandelend sector, dat de rechtbank ten onrechte de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische beoordeling heeft onderschreven, en dat haar arbeidsbeperkingen door het Uwv zijn onderschat. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid onjuist is berekend nu het tantième ten onrechte niet is betrokken in het maatmanloon. Ten slotte heeft appellante haar in bezwaar en beroep geuite grief herhaald dat de verlaging van haar uitkering een inbreuk vormt op haar recht op ongestoord genot van haar eigendom in de zin van artikel 1 van het EP.

5.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische beoordeling op voldoende zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst heeft in zijn rapportage van 15 september 2006 uitgebreid gemotiveerd waarom hij noch de primair verzekeringsarts A.G. Willems aanleiding zagen informatie bij de behandelend sector in te winnen. Appellante heeft naar het oordeel van de Raad onvoldoende aannemelijk gemaakt dat desondanks toch redenen aanwezig waren nadere informatie te vragen. Desgewenst had appellante overigens ook zelf informatie van behandelaars in kunnen brengen.

5.2. De Raad ziet evenmin als de rechtbank aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. Hij onderschrijft de overwegingen van de rechtbank hieromtrent. Daaraan voegt hij nog het volgende toe. Naar vaste rechtspraak van de Raad is pas dan van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18 van de WAO sprake als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid op de datum in geding niet kan of mag verrichten.Voorts is in de jurisprudentie van de Raad tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan, ook al is niet geheel en al duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. In die bijzondere gevallen stelt de Raad dan wel als (minimum)eis dat bij de (onafhankelijk) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de betreffende arbeid te verrichten.

5.3. Naar het oordeel van de Raad valt in het licht van deze rechtspraak niet in te zien dat de verzekeringsarts bij zijn onderzoek op 13 december 2005 het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals dat is neergelegd in de artikelen 3 en 4 van het Schattingsbesluit 2004, heeft miskend. Weliswaar heeft deze verzekeringsarts vastgesteld dat bij het oriënterend lichamelijk en psychisch onderzoek behoudens een beperkte nekrotatie geen afwijkingen objectiveerbaar waren die de door appellante ervaren ernst van de klachten konden verklaren, maar uit zijn rapport van 13 december 2005 valt af te leiden dat hij zonder voor appellantes klachten een oorzaak te (kunnen) benoemen in de wijze waarop appellante dagelijkse activiteiten verricht, toch aanleiding zag een behoorlijk aantal beperkingen aan te geven. Aanleiding voor een urenbeperking zag hij echter niet. De bezwaarverzekeringsarts Hulst heeft in zijn rapport van 15 september 2006 nog eens uiteengezet waarom voor het aannemen van verdergaande beperkingen, waaronder een urenbeperking, geen aanleiding was. Appellante heeft geen medische informatie in het geding gebracht die aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen.

5.4. Hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.3 leidt de Raad tot de slotsom dat de medische grondslag van het bestreden besluit in rechte standhoudt.

6. Aldus uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad niet gebleken dat appellante de geduide functies niet zou kunnen verrichten. De Raad acht de passendheid van de functies met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapportages voldoende toegelicht.

7. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht het tantième niet heeft betrokken in het maatmanloon. Appellante heeft nimmer een tantième genoten. Onvoldoende is komen vast te staan wat de hoogte van een mogelijk tantième zou zijn geweest. Ten slotte heeft appellante nooit in de functie van belastingadviseur gewerkt, zodat evenmin duidelijk is of zij, als zij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden, wel voor een tantième in aanmerking zou zijn gekomen. Onder deze omstandigheden is het tantième te speculatief van karakter om betrokken te kunnen worden in het maatmanloon.

8. Met betrekking tot de gestelde inbreuk op het eigendomsrecht verwijst de Raad naar de overwegingen in zijn uitspraak van 10 juli 2008 (LJN BD8561). Daarbij merkt de Raad nog op dat de toepassing van het Schattingsbesluit 2004 niet leidt tot een voor betrokkene onevenredig zware last (‘an individual and excessive burden’) en dat uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat aan artikel 1 van het EP geen recht op een uitkering van een bepaalde hoogte kan worden ontleend. Hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot de mogelijke gevolgen van de verlaging van haar uitkering voor haar civielrechtelijke WAO-hiaatverzekering en mogelijke pensioenaanspraken brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

9. Het hoger beroep is tevergeefs ingesteld.

10. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM