Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4972

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
07-6143 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. M.b.t. de medische grondslag zijn door de rechtbank de beroepsgronden van appellant uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Dit betekent dat, nu appellant tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, volgens vaste rechtspraak van de Raad - verwezen wordt naar bijvoorbeeld de uitspraak van 1 maart 2005, LJN AT0711- van de juistheid van die grondslag moet worden uitgegaan en dat die beroepsgronden in de tweede procedure in beginsel niet opnieuw aan de orde kunnen komen. Dit kan uitzondering lijden in het geval dat er sedert die eerdere uitspraak nieuwe medische gegevens naar voren zijn gekomen die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van betrokkene zoals in die uitspraak is beoordeeld. Dit laatste is hier niet het geval. Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv voor appellant aangenomen medisch beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid is niet gebleken dat appellant de werkzaamheden behorende bij voorgehouden functies niet zou kunnen vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6143 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 oktober 2007, 07/114 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Ph.C. Kleyn van Willigen, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2009, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kleyn van Willigen, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Gerritsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die laatstelijk werkzaam was als productiemedewerker/machinebediende, is in verband met psychische klachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Het Uwv heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.2. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is in het kader van het aangepast Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten herbeoordeeld. De verzekeringsarts heeft appellant beperkt geacht in zijn belastbaarheid en heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft aan de hand van deze FML een theoretische schatting verricht, waarbij het verlies aan verdiencapaciteit van appellant werd vastgesteld op 14,95%.

1.3. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 12 juli 2005 medegedeeld dat zijn WAO-uitkering met ingang van 13 september 2005 wordt ingetrokken. Bij besluit van 7 november 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 juli 2005 ongegrond verklaard.

1.4. De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 14 november 2006, 05/1511, het door appellant tegen het besluit van 7 november 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft voorts een proceskostenveroordeling en een griffierechtvergoeding uitgesproken. De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat het besluit van 7 november 2005 berust op een deugdelijke medische grondslag. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het besluit van 7 november 2005 heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige heeft nagelaten om alle door het systeem aangebrachte signaleringen van een afzonderlijke toelichting te voorzien en het besluit derhalve een deugdelijke motivering ontbeert. Partijen hebben in deze uitspraak berust.

2. Het Uwv heeft bij besluit van 29 december 2006 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant gegrond verklaard en bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 13 september 2005 wordt vastgesteld naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant uitgaande van de beperkingen zoals vastgesteld in de FML een drietal passende functies kan verrichten waarbij het verlies aan verdiencapaciteit 23,8% bedraagt.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zij bij haar uitspraak van 14 november 2006 reeds heeft uitgesproken dat de in de FML opgenomen mogelijkheden en beperkingen van appellant op een deugdelijke medische grondslag berusten. Voor zover appellant zich op het standpunt stelt dat hij zich niet met de opgestelde FML kan verenigen omdat daarin geen rekening is gehouden met de uit zijn astma voortkomende beperkingen ten aanzien van koude, tocht, stof, rook, gassen en dampen, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van appellant gelegen om hoger beroep in te stellen tegen die uitspraak. Naar het oordeel van de rechtbank dient derhalve uitgegaan te worden van de juistheid van de FML en is het geschil derhalve beperkt tot de arbeidskundige kant van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv afdoende heeft toegelicht dat de aan appellant voorgehouden functies vleeswarenmaker, slachter en visverwerker (sbc-code 271070), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (sbc-code 111180) en productiemedewerker, papier, karton, drukkerij (sbc-code 111174) berekend zijn voor appellants belastbaarheid.

4. Appellant heeft zich in hoger beroep niet kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank dat uitgegaan dient te worden van de juistheid van de FML. Appellant heeft wederom betoogd dat hij bekend is met klachten van astma bronchiale en op grond hiervan beperkingen in de FML opgenomen dienen te worden. Ter zitting van de Raad heeft appellant toegelicht dat gezien het feit dat voornoemde klachten niet aan de orde zijn gebracht in de eerdere procedure, die geleid heeft tot de uitspraak van 14 november 2006, in zoverre sprake is van nieuwe medische gegevens die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellant zoals die in die uitspraak is beoordeeld. Er kan, zo stelt appellant, derhalve niet uitgegaan worden van de juistheid van de FML. Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft, heeft appellant gesteld dat de functie productiemedewerker, papier, karton, drukkerij een bijzonder belasting kent ten aanzien van aspect 3.4.0, namelijk stof, en om deze reden ongeschikt te achten is voor appellant. Er resteren slechts 2, en derhalve te weinig, functies om de schatting op te baseren.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellant zich zowel tegen de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit richt.

5.2. De Raad overweegt dat in de uitspraak van de rechtbank van 14 november 2006 de beroepsgronden van appellant met betrekking tot de medische grondslag van het besluit van 7 november 2005 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Dit betekent dat, nu appellant tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, volgens vaste rechtspraak van de Raad - verwezen wordt naar bijvoorbeeld de uitspraak van 1 maart 2005, LJN AT0711- van de juistheid van die grondslag moet worden uitgegaan en dat die beroepsgronden in de tweede procedure in beginsel niet opnieuw aan de orde kunnen komen. Dit kan uitzondering lijden in het geval dat er sedert die eerdere uitspraak nieuwe medische gegevens naar voren zijn gekomen die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van betrokkene zoals in die uitspraak is beoordeeld. Dit laatste is hier niet het geval reeds omdat uit de rapportages van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts blijkt dat deze op de hoogte waren van de astmaklachten van appellant en van de medicatie die appellant hiervoor inneemt. Hetgeen appellant hieromtrent in de onderhavige procedure heeft gesteld, werpt geen ander licht op zijn gezondheidstoestand als hiervoor bedoeld. De Raad onderschrijft dan ook hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen.

5.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv voor appellant aangenomen medisch beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad, evenals de rechtbank, niet gebleken dat appellant de werkzaamheden behorende bij de functie productiemedewerker, papier, karton, drukkerij (sbc-code 111174), die aan de schatting ten grondslag is gelegd, niet zou kunnen vervullen.

5.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen, als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

GdJ