Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4962

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
07-3559 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Rechtbank heeft besluit vernietigd met in standlating rechtsgevolgen. Omvang geding, alleen arbeidskundige beoordeling. Toereikende toelichting eerst in beroep gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3559 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2007, 05/416 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 21 januari 2009, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als hoofdcassière voor 32 uren per week. Op 5 januari 1998 is zij uitgevallen voor haar werk met gynaecologische problemen met bijkomende psychische klachten. Met ingang van 5 januari 1999 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In verband met een zogenoemde vijfdejaarsherbeoordeling heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. Op grond van de resultaten van dat onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in gangbare arbeid, waarvan haar voorbeelden zijn voorgehouden. Bij besluit van 7 mei 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 9 juni 2004 ingetrokken, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

1.3. Bij het besluit van 15 december 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 7 mei 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige een nadere motivering is gegeven van de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, die voldoet aan de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN AR4716 e.a.) en 12 oktober 2006 (LJN AY9971 e.a.). De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende is gemotiveerd dat die functies binnen de belastbaarheid van appellante blijven, maar stelt vast dat pas in beroep een toereikende motivering als bedoeld in voormelde uitspraken is gegeven. De rechtbank heeft daarom het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de motivering te laat is gegeven. Uit de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 blijkt dat slechts in reeds lopende zaken er aanleiding kan zijn om de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten in het geval de motivering alsnog in beroep wordt gegeven. Voor toekomstige besluiten gold een termijn tot 1 juli 2005. Het Uwv heeft nagelaten om bij het bestreden besluit alsnog een deugdelijke motivering en/of toelichting te geven. Ook na het ingestelde beroep heeft het Uwv verzuimd ervoor te zorgen dat de vereiste motivering binnen de door de Raad gestelde termijn tot 1 juli 2005 is verstrekt. Het Uwv heeft bijna drie jaar nodig gehad om tot een motivering te komen. Appellante heeft verder aangevoerd dat de gegeven motivering onvoldoende is. Onder deze omstandigheden is er naar de mening van appellante voldoende aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand te laten en haar ongewijzigd in te delen in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80% of meer.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op de inhoud van het hoger beroep stelt de Raad vast dat appellante in hoger beroep is gekomen van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij door de rechtbank is geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde (bestreden) besluit geheel in stand blijven. De Raad stelt voorts vast dat niet in geschil is het oordeel van de rechtbank dat de medische grondslag van het bestreden besluit in rechte stand houdt. Voor de arbeidskundige beoordeling moet de Raad dan ook uitgaan van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen.

4.2. De meest verstrekkende grief van appellante, dat de rechtsgevolgen niet in stand kunnen blijven nu de motivering te laat is gegeven, slaagt niet. De Raad verwijst in verband daarmee naar zijn uitspraak van 7 maart 2008, LJN BC7279, waarin de Raad voor zover hier van belang als volgt heeft overwogen:

“De Raad heeft in zijn uitspraken van 9 november 2004 overwogen dat in reeds lopende zaken waarin zich met betrekking tot het voorliggende bestreden besluit problemen zouden voordoen die voortvloeien uit de door de Raad geconstateerde onvolkomenheden van het CBBS, dat besluit in beginsel om die reden zal moeten worden vernietigd, waarbij geldt dat indien het besluit in de loop van de procedure in beroep of in hoger beroep alsnog wordt voorzien van de ontbrekende toelichting, onderbouwing en/of motivering, aanleiding kan bestaan om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel of gedeeltelijk in stand te laten. Voorts heeft de Raad overwogen dat zulks voor toekomstige besluiten evenwel anders ligt: de Raad achtte het in de rede te liggen dat het Uwv, teneinde soortgelijke problemen voor de toekomst te voorkomen, na kennis te hebben genomen van het in zijn uitspraken neergelegde oordeel, ervoor kiest om niet te volstaan met het verstrekken van afzonderlijke toelichtingen en motiveringen in zich aandienende individuele gevallen, maar tot een zekere systeemaanpassing over te gaan, teneinde de gesignaleerde onvolkomenheden op een meer gestructureerde wijze op te heffen. Een dergelijke systeemaanpassing werd blijkens het verhandelde ter zitting van de zijde van het Uwv in beginsel ook mogelijk geacht. De Raad heeft overwogen het redelijk te achten voor een dergelijke - ingrijpende - systeemaanpassing een termijn aan het Uwv te gunnen welke niet voor 1 juli 2005 zou eindigen.

Dat betekent, zo heeft de Raad daaraan toegevoegd, dat rekening ermee dient te worden gehouden dat schattingsbesluiten die vanaf 1 juli 2005 worden genomen, indien en voor zover daaraan gebreken kleven die voortvloeien uit de geconstateerde onvolkomenheden van het CBBS, niet langer op vooromschreven wijze zullen kunnen worden gerepareerd door middel van het alsnog verstrekken van een nadere onderbouwing, toelichting en/of motivering. Die besluiten zullen dan in daarvoor in aanmerking komende gevallen worden vernietigd zonder instandlating van de rechtsgevolgen.

De aangekondigde mogelijkheid van vernietiging zonder instandlating van de rechtsgevolgen van schattingsbesluiten die worden genomen vanaf 1 juli 2005, had derhalve - naar ook aldus door appellant (lees: het Uwv) is begrepen - uitsluitend betrekking op de situatie waarin appellant (lees: het Uwv) ervoor zou kiezen c.q. ervoor zou hebben gekozen niet over te gaan tot structurele aanpassing van het CBBS. Indien in die situatie een vanaf genoemde datum genomen schattingsbesluit niet uiterlijk ten tijde van het nemen daarvan zou zijn voorzien van de noodzakelijke toelichting en motivering, zou niet langer mogen worden gerekend op instandlating van de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit. Aldus diende de aangekondigde vernietiging van besluiten genomen vanaf 1 juli 2005 als een aansporing om appellant te bewegen tot systeemaanpassing.

In zijn - na de aangevallen uitspraak gewezen - uitspraken van 12 oktober 2006 (LJN AY9971, 9973, 9974, 9976 en 9980) heeft de Raad, voor zover hier van belang, blijk gegeven van het oordeel dat met de door appellant na de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 aan het CBBS aangebrachte aanpassingen in voldoende mate is tegemoet gekomen aan de in die uitspraken verwoorde kritiek van de Raad.

Gegeven deze systeemaanpassing, die voor 1 juli 2005 zijn beslag heeft gekregen, heeft de in de uitspraken van 9 november 2004 aangekondigde vernietiging van op en na 1 juli 2005 genomen schattingsbesluiten zonder de mogelijkheid van instandlating van de rechtsgevolgen, zijn doel en betekenis verloren. Anders dan de rechtbank meent, kan aan de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 dan ook geen grondslag (meer) voor een dergelijke vernietiging worden ontleend.”

4.3. De Raad is voorts, met de rechtbank, van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt en dat, in aanmerking genomen de bij de rechtbank overgelegde arbeidsdeskundige rapporten van 4 april 2006, 9 november 2006 en 21 februari 2007 als een genoegzaam aan te merken toelichting is gegeven op de bij de geselecteerde functies aangebrachte signaleringen.

4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

CVG