Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4946

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
07-4372 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Juiste vaststelling medische beperkingen. Geschiktheid geduide functies. Algemene klachten over de onderzoeksmethoden van verzekeringsartsen en de wijze van toetsing daarvan door de bestuursrechter. Beoordeling rapporten van Instituut Psychosofia. Rechtbank hoeft in haar uitspraak niet op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk in te gaan. Vernietiging aangevallen uitspraak en ongegrondverklaring het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4372 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 juli 2007, 06/4989 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2009, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge, voornoemd. Het Uwv is -met bericht- niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Na wegens -onder meer- chronische vermoeidheidsklachten te zijn uitgevallen voor haar werkzaamheden als kraamverzorgster, is appellante door een rechtsvoorganger van het Uwv met ingang van 6 oktober 1990 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Bij besluit van 15 mei 2006 is die uitkering per 13 juli 2006 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het door appellante tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij besluit van 4 december 2006 ongegrond verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en tot een juist resultaat heeft geleid. De motivering waarom appellante 30 uur per week belastbaar wordt geacht, terwijl zij in de tien voorafgaande jaren 20 uur per week belastbaar werd geacht, is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende toereikend. Omdat, naar het oordeel van de rechtbank, uit de door het Uwv in beroep overgelegde arbeidskundige informatie kan worden afgeleid dat appellante, ook indien in het kader van de onderhavige schatting uitgegaan zou zijn van een belastbaarheid van 20 uur per week, niet in aanmerking zou zijn gekomen voor een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse heeft de rechtbank aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand te laten. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3. Het hoger beroep keert zich, zo is ter zitting door mr. De Jonge bevestigd, zowel tegen het door de rechtbank in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit als tegen het oordeel dat appellante per de datum in geding in staat zou zijn voor 20 uur per week de aan haar geduide functies te verrichten.

4.1. Het oordeel van de Raad.

4.2. Wat betreft de medische grondslag van de onderhavige schatting overweegt de Raad dat hij met de rechtbank van oordeel is dat het medisch onderzoek van het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de medische rapporten van respectievelijk 16 september 2005 en 5 oktober 2005 en daarnaast het rapport van bezwaarverzekeringsarts V.K. Ramautar van 18 november 2006 blijkt dat deze artsen afzonderlijk van elkaar appellante op het spreekuur hebben gezien en haar zowel lichamelijk als psychisch hebben onderzocht. Daarnaast heeft appellante, zo blijkt uit de rapporten, telkenmale de ruimte gekregen haar klachten naar voren te brengen en heeft zij aangegeven waaruit haar gemiddelde dagbesteding bestaat. Voorts blijkt dat de eerder genoemde artsen op de hoogte waren van de bevindingen van de behandelend sector, waaronder het rapport van Instituut Psychosofia van 29 augustus 2006, en dat zij die bevindingen bij hun beoordeling hebben meegewogen. De artsen hebben aanleiding gezien in de Functionele Mogelijkhedenlijst een ruim aantal beperkingen op te nemen, waaronder een urenbeperking van 30 uur per week. De Raad is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv de medische beperkingen van appellante juist heeft vastgesteld. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat door de artsen van het Uwv voldoende is gemotiveerd waarom appellante, anders dan de jaren daarvoor, per de datum in geding in staat kan worden geacht 30 uur per week werkzaam te zijn. Dat deze beoordeling afwijkt van die in een (verder) verleden kan niet tot een ander oordeel leiden. Het Uwv behoefde, gelet op de omstandigheden in dit geval, niet nader te motiveren waarom de huidige beoordeling van de urenbeperking afwijkt van die in het verleden. In dit kader acht de Raad overigens niet zonder belang dat appellante geen objectief medische gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij niet in staat geacht kan worden meer dan 20 uur per week aan het arbeidsproces deel te nemen.

4.3. De Raad is verder niet gebleken dat appellante de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet zou kunnen verrichten.

4.4. Ten aanzien van de algemene klachten over de onderzoeksmethoden van verzekeringsartsen en de wijze van toetsing daarvan door de bestuursrechter, die appellant heeft aangevoerd, volstaat de Raad te verwijzen naar zijn ter zake gevormde jurisprudentie, waaronder de uitspraak van 13 juli 2005 (LJN AT9828).

4.5. De grieven ter zake van de wijze waarop de rechter met rapporten van medici en het Instituut Psychosofia dient om te gaan slagen evenmin. De Raad verwijst naar een groot aantal uitspraken, waaronder de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2007 (LJN BB 5548), waarin de gemachtigde van appellante ook als gemachtigde is opgetreden en waarin de Raad zijn oordeel over de door die gemachtigde in die zaken indiende grieven, die van gelijke strekking zijn als de in deze zaak ingediende grieven, heeft gegeven.

4.6. Aan het voorgaande voegt de Raad, onder verwijzing naar onder meer zijn uitspraak van 7 april 1998 (LJN ZB7563), toe dat uit artikel 8:69, noch uit artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, voortvloeit dat de rechtbank in haar uitspraak op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk dient in te gaan.

4.7. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

5. Gelet op het onder 4.7 overwogene is voor vergoeding van schade als door appellante verzocht in het onderhavige geval geen plaats.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

KR