Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4821

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
06-03-2009
Zaaknummer
07-5670 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Juiste vaststelling medische beperkingen. Voor het aannemen van een urenbeperking is eerst plaats indien met het stellen van beperkingen niet op voldoende wijze aan de voor appellante geldende mogelijkheden tegemoet kan worden gekomen. Het Uwv is gelet op de in de FML opgenomen beperkingen in voldoende mate aan de voor appellante geldende mogelijkheden tegemoet gekomen. De geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies is in voldoende mate gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5670 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 4 september 2007, 06/2724 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en bij brief van 17 oktober 2007 de heer [naam vader], haar vader, als gemachtigde gesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere medische stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2009, waar appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, de heer [naam vader]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk voor 32 uur per week werkzaam als administratief (balie)medewerkster. In september 2004 is zij uitgevallen met verschijnselen van overbelasting. Appellante is vervolgens op 1 november 1994 een auto-ongeval overkomen met whiplashklachten tot gevolg. Per 15 september 1995 is haar door een rechtsvoorganger van het Uwv een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellante gezien door een verzekeringsarts die heeft vastgesteld dat zij beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, welke beperkingen hij heeft vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens geconstateerd dat appellante met de door hem geselecteerde functies een zodanig inkomen kan verdienen, dat een verlies aan verdiencapaciteit resteert van minder dan 15%. In verband daarmee heeft het Uwv bij besluit van 5 oktober 2006 besloten de WAO-uitkering van appellante met ingang van 19 oktober 2006 in te trekken.

1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 oktober 2006. Na rapportage door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 21 november 2006 (hierna: bestreden besluit) het eerdere besluit van 5 oktober 2006 herroepen en bepaald dat appellante met ingang van 19 oktober 2006 voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt wordt beschouwd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep, evenals in bezwaar en beroep, aangevoerd dat haar functionele mogelijkheden niet juist zijn vastgesteld en dat zij de ten aanzien van haar geduide functies niet (voltijds) kan vervullen. Tot slot vindt zij het vreemd dat zij met dezelfde whiplashklachten aanvankelijk volledig arbeidsongeschikt is bevonden en nu geacht wordt fulltime te kunnen werken.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad kan zich geheel verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit. Ook de Raad is van oordeel dat de verzekeringsartsen van het Uwv een zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De Raad is op grond van de in hoger beroep naar voren gebrachte informatie niet tot de overtuiging kunnen komen dat appellante meer of anders beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. De namens appellante in hoger beroep ingebrachte informatie ziet namelijk niet op de in geding zijnde datum van 10 oktober 2006, die in deze procedure ter beoordeling staat. Het feit dat appellante, naar zij ter zitting heeft benadrukt, de gewijzigde beoordeling aan de hand van de per 1 oktober 2004 ingevoerde nieuwe regels in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de strengere – meer activerende – benadering van de verzekeringsartsen als onrechtvaardig ervaart kan, wat daar verder van zij, niet tot een ander oordeel leiden.

4.2. Ten aanzien van de door appellante geclaimde urenbeperking merkt de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van 22 juni 2007 (LJN BA9147) op dat voor het aannemen van een urenbeperking eerst plaats is indien met het stellen van beperkingen niet op voldoende wijze aan de voor appellante geldende mogelijkheden tegemoet kan worden gekomen. Nu uit het rapport van de verzekeringsarts P.R.S. Baidkoe van 19 juni 2006 blijkt dat appellante ten tijde van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft aangegeven geen rug- en nekklachten meer te hebben maar meer concentratie- en geheugenklachten te ervaren, is de Raad van oordeel dat het Uwv gelet op de in de FML opgenomen beperkingen in voldoende mate aan de voor appellante geldende mogelijkheden tegemoet gekomen is.

4.3. Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in voldoende mate is gemotiveerd. Daarvoor verwijst de Raad naar de zich onder de gedingstukken bevindende rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen, welke rapportages op zichzelf van de zijde van appellante niet zijn bestreden.

4.4. De verwijzing door appellante naar het overleg met de arbeidsdeskundige B. Timmer naar aanleiding van enkele mislukte reïntegratiepogingen kan evenmin afdoen aan de beoordeling van de onderhavige schatting, reeds nu uit het dossier moet worden afgeleid dat het laatste contact tussen appellante en deze arbeidsdeskundige over de reïntegratie van appellante ruim voor de in geding zijnde datum heeft plaats gehad.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM