Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4799

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
07-4974 WIA + 07-5654 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij na afloop van de wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

Besluit 1 vernietigd, wegens onvoldoende toegelichte verborgen beperkingen. Hoger beroep van betrokkene mbt medische beoordeling ongegrond, medisch onderzoek zorgvuldig en betrokkene geen andersluidende medische informatie naar voren gebracht. Bij nader besluit, 2, fis functieduiding heroverwogen en signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de functionele mogelijkheden van appellante zijn toegelicht. Beroep tegen besluit 2 ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4974 WIA + 07/5654 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 juli 2007, 06/4919 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar van 2 oktober 2007, met bijlagen, ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2009. Appellante en haar gemachtigde zijn, zoals was aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. London.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 24 mei 2006 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toe te kennen, omdat zij na afloop van de wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 november 2006 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft voorts beslissingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank, zich verenigend met de medische grondslag van besluit 1, heeft daartoe overwogen, kort weergegeven, dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) niet nader toegelichte zogenoemde verborgen beperkingen bevat, zodat het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd.

4. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd, kort weergegeven, dat het Uwv het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden en dat zij psychisch meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Voorafgaande aan het besluit van 24 mei 2006 heeft een verzekeringsarts van het Uwv een expertise gevraagd aan psychiater J.D.J. Tilanus. Deze is, blijkens zijn rapport van 6 januari 2006, na onderzoek van appellante tot de conclusie gekomen dat zij in psychiatrische zin niet als gevolg van een ziekte of gebrek beperkt is voor het verrichten van arbeid. In bezwaar is door appellante een brief van 8 september 2006 ingebracht van de haar behandelend psychiater S. Gülsaçan, waarin deze tot andere bevindingen lijkt te komen dan Tilanus. Daartoe door het Uwv in de gelegenheid gesteld heeft Tilanus bij brief van 10 november 2006 gereageerd op de brief van Gülsaçan en gemotiveerd waarom hij zijn conclusie handhaaft. Het Uwv heeft vervolgens besluit 1 genomen. Appellante stelt dat het Uwv het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden doordat zij niet in de gelegenheid is gesteld om te (doen) reageren op de brief van Tilanus van 10 november 2006.

5.2. De Raad stelt vast dat de grief van appellante zich niet richt tegen de zorgvuldigheid van het onderzoek van Tilanus en de wijze waarop diens rapport van 6 januari 2006 is tot stand gekomen. Daargelaten de vraag of het de voorkeur had verdiend dat het Uwv appellante in de gelegenheid had gesteld om te reageren op de brief van Tilanus van

10 november 2006 alvorens besluit 1 te nemen, ziet de Raad hierin niet een zodanig gebrek in de zorgvuldigheid waarmee besluit 1 is tot stand gekomen dat het op grond hiervan voor vernietiging in aanmerking zou behoren te komen. De Raad heeft hierbij laten wegen dat appellante heeft kunnen reageren op het rapport van 6 januari 2006 van Tilanus en dat in diens brief van 10 november 2006 geen nieuwe feiten naar voren zijn gekomen die voor het te nemen besluit van aanmerkelijk belang konden zijn.

5.3. De grief van appellante dat zij psychisch meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen slaagt niet. De Raad verenigt zich met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen over de medische beperkingen van appellante. Appellante heeft geen nadere medische informatie naar voren gebracht die zou kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van besluit 1.

5.4. Gelet op het bovenstaande slaagt het hoger beroep van appellante niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5.5. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, waarin het Uwv heeft berust, heeft het Uwv bij besluit van 2 oktober 2007 (hierna: besluit 2) opnieuw op het bezwaar van appellante beslist. Haar bezwaar is wederom ongegrond verklaard. Aan besluit 2 ligt een aangepaste FML ten grondslag, alsmede een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige van 14 mei 2007, met bijlagen, waarin de functieduiding is heroverwogen en signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de functionele mogelijkheden van appellante zijn toegelicht.

5.6. De Raad stelt vast dat besluit 2 niet tegemoet komt aan het beroep van appellante tegen besluit 1. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt het beroep tegen besluit 1 geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2 en om die reden in de beoordeling van het hoger beroep van appellante betrokken.

5.7. Appellante heeft tegen besluit 2 geen afzonderlijke grieven gericht. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van besluit 2 is de Raad van oordeel dat appellante, uitgaande van een juiste vaststelling van haar functionele mogelijkheden, in staat moet worden geacht de werkzaamheden verbonden aan de haar voorgehouden functies van inpakker (handmatig), productiemedewerker textiel (geen kleding) en wikkelaar/samensteller te verrichten. De door het Claimbeoordelings- en borgingssysteem gegenereerde signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de functionele mogelijkheden van appellante ziet de Raad voldoende toegelicht in het boven genoemde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige en de daarbij gevoegde ‘notities functiebelasting’. Het beroep tegen besluit 2 slaagt mitsdien niet.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

CVG