Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4798

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
06-03-2009
Zaaknummer
07-4028 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Het medische onderzoek is niet onzorgvuldig geweest. Geen objectieve medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen. De geselecteerde functies en de daaraan verbonden belastende aspecten, worden vanuit medisch opzicht geschikt geacht voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4028 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 juni 2007, 06/5051(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Baggerman-Scherpenisse, advocaat te Scherpenisse, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Baggerman-Scherpenisse. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J. Hut.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 2 april 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv, voor zover van belang, de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van 28 juni 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2.1. De rechtbank heeft met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit geoordeeld dat mede gelet op de wijze waarop de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hun conclusies hebben onderbouwd het onderzoek niet onzorgvuldig is geweest. Hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen reden gegeven de juistheid van het medisch oordeel in twijfel te trekken. De bij appellant gediagnosticeerde rugklachten zijn in het verzekeringsgeneeskundig onderzoek meegewogen. Voorts hebben de verzekeringsartsen geen functionele beperkingen gezien in appellants gebruik van de hem voorgeschreven medicijnen noch in zijn gebruik van marihuana en alcohol. Het beweerdelijk verstoorde dag- en nachtritme houdt, aldus deze artsen, geen verband met ernstige psychopathologie. De rechtbank heeft erop gewezen dat van de zijde van appellant geen nadere medische gegevens zijn overgelegd, die een ander licht op de zaak werpen en op grond waarvan het Uwv tot een andersluidend oordeel had moeten komen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de functionele mogelijkheden van appellant correct vastgesteld. De rechtbank is voorts niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt.

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv ten onrechte de herzieningsdatum heeft vastgesteld op 28 juni 2006. Gezien de onderliggende stukken ligt deze datum op 3 december 2006. De rechtbank heeft daarom bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover de WAO-uitkering van appellant met ingang van 28 juni 2006 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en - met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht - bepaald dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 3 december 2006 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

3. Appellant is in hoger beroep gekomen voor zover bij de aangevallen uitspraak is bepaald dat zijn WAO-uitkering met ingang van 3 december 2006 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant heeft volhard in zijn stelling dat zijn psychische en neurologische klachten onvoldoende zijn vertaald in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en dat hij gelet op deze klachten niet in staat is de aan de herziening ten grondslag liggende functies (volledig) te verrichten. Appellant vordert per 3 december 2006 voortzetting van zijn WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank en het door haar daarop gebaseerde oordeel met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit en maakt die tot de zijne. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen, zoals weergegeven in de FML. De Raad merkt in dit verband nog op dat in dit geding slechts wordt geoordeeld over de mate van arbeidsongeschiktheid op 3 december 2006. Met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellant na deze datum kan in dit geding geen rekening worden gehouden.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad, met de rechtbank, voorts van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

4.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

CVG