Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4790

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
07-5519 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij na afloop van de wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Voldoende medische grondslag. Door appellante is in hoger beroep geen medische informatie ingebracht die alsnog zou kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag. Voldoende arbeidskundige grondslag. De Raad ziet niet dat het opleidingsniveau van appellante onvoldoende zou zijn voor het vervullen van de geduide functies. De Raad wijst er op dat ingevolge zijn bestendige rechtspraak de rechter niet gehouden is om voor ieder door een belanghebbende naar voren gebracht argument in de schriftelijke uitspraak expliciet verantwoording af te leggen van de overwegingen die tot het uiteindelijke oordeel hebben geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5519 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 augustus 2007, 07/141 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Abotay, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 oktober 2007 heeft het Uwv een rapport van gelijke datum van een bezwaararbeidsdeskundige ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. R. Küçükünal als haar opvolgend gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 29 juni 2006 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toe te kennen, omdat zij na afloop van de wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 6 december 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank kon zich verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

4. In hoger beroep is door appellante aangevoerd, kort weergegeven, dat zij meer beperkingen ondervindt als gevolg van haar pols- en knieklachten dan door het Uwv zijn aangenomen en dat zij daardoor de werkzaamheden verbonden aan de haar geduide functies niet kan uitoefenen. Voorts acht zij deze functies niet geschikt omdat zij niet aansluiten bij haar opleidingsniveau.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met de daarop betrekking hebbende overwegingen in de aangevallen uitspraak. Anders dan appellante ziet de Raad niet dat het Uwv en de rechtbank tot een onjuist oordeel zijn gekomen over de door appellante ingebrachte medische informatie, voor zover deze betrekking heeft op de in geding zijnde datum van 3 juli 2006. Door appellante is in hoger beroep geen medische informatie ingebracht die alsnog zou kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag.

5.2. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kan de Raad zich eveneens verenigen met hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen. Uitgaande van een juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellante moet zij in staat worden geacht de werkzaamheden verbonden aan de haar geduide functies, zoals deze in bezwaar nader zijn vastgesteld, te verrichten. Met de rechtbank, en anders dan appellante, ziet de Raad niet dat het opleidingsniveau van appellante onvoldoende zou zijn voor het vervullen van deze functies. In het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 14 maart 2007 is genoegzaam gemotiveerd dat de opleidingseisen in de geduide functies het niveau van appellante, gebaseerd op het volgen van lager onderwijs in Nederland en twee jaar vervolgonderwijs op de Mavo, niet overstijgt. Ten aanzien van de door appellante in eerste aanleg naar voren gebrachte bezwaren tegen de geduide functies ziet de Raad in de aangevallen uitspraak voldoende gemotiveerd waarom deze bezwaren niet kunnen leiden tot aantasting van het bestreden besluit. In dit verband wijst de Raad appellante er op dat ingevolge zijn bestendige rechtspraak de rechter niet gehouden is om voor ieder door een belanghebbende naar voren gebracht argument in de schriftelijke uitspraak expliciet verantwoording af te leggen van de overwegingen die tot het uiteindelijke oordeel hebben geleid.

5.3. Het hoger beroep van appellante kan niet slagen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

CVG