Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4576

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2009
Datum publicatie
05-03-2009
Zaaknummer
08-2189 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestreden besluit heeft betrekking op de vaststelling van de aflossingscapaciteit. Het besluit inhoudende weigering van het Uwv om terug te komen op twee besluiten (intrekking en terugvordering WAO-uitkering), kan niet in kader 6:18 Awb bij onderhavige procedure worden betrokken. Niet is staande te houden dat het Uwv bij dit besluit is overgegaan tot intrekking of wijziging van het bestreden besluit. Het staat het Uwv vrij om ondanks negatieve afloscapaciteit gebruik te maken van appellants aanbod om een gering bedrag per maand terug te betalen. Dat appellant tot dat aanbod is gekomen om te voorkomen dat bij hem beslag zou worden gelegd, maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2189 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle - Lelystad van 29 februari 2008, 07/1175 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 februari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A. van der Kleij, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2009.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij. Voor het Uwv is verschenen mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 29 september 2005 heeft het Uwv de aan appellant (per 19 oktober 1991 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer) toegekende (doch in verband met het bereiken van de leeftijd van 65 jaar per 1 juli 2003 beëindigde) uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 28 december 2002 ingetrokken.

Tegen dat besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.2. Bij besluit van 30 september 2005 heeft het Uwv van appellant € 8.443,77 bruto (minus premies sociale verzekeringen € 8.276,96) wegens aan hem gedurende de periode van 28 december 2002 tot en met 30 juni 2003 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering teruggevorderd.

Tegen dat besluit heeft appellant evenmin bezwaar gemaakt.

2.1. Bij besluit van 14 november 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij het nog resterende bedrag van de terugvordering (€ 8.126,96) in één keer vóór 5 december 2006 aan het Uwv moet betalen, omdat hij geen “Opgave sociaalfinanciële omstandigheden” heeft gedaan en bijgevolg geen per maand in termijnen terug te betalen bedrag kan worden vastgesteld.

2.2. Bij besluit van 13 maart 2007 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij het nog resterende bedrag van de terugvordering (€ 8.126,96) in één keer vóór 27 maart 2007 aan het Uwv moet betalen, omdat hij de getroffen terugbetalingsregeling niet is nagekomen.

3. Bij besluit op bezwaar van 15 juni 2007 heeft het Uwv ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen de besluiten van 14 november 2006 en 13 maart 2007.

4. Bij besluit van 7 augustus 2007 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van zijn evenvermelde beslissingen van 29 en 30 september 2005, zulks onder overweging dat in de vrijspraak van appellant door de politierechter - omdat deze niet wettelijk en overtuigend bewezen acht dat appellant opzettelijk had nagelaten gegevens te verstrekken - geen redenen zijn gelegen om van die besluiten terug te komen.

Tegen het besluit waarbij het Uwv het door appellant tegen dat weigeringsbesluit gemaakte bezwaar in september 2007 ongegrond heeft verklaard, heeft appellant geen beroep ingesteld.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit op bezwaar van 15 juni 2007 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard onder overweging dat appellant geen belang meer heeft bij het door hem ingestelde beroep, omdat blijkens het bestreden besluit inmiddels een nieuwe terugbetalingsregeling (€ 25,-- per maand) met appellant is getroffen, deze regeling (qua hoogte van het maandbedrag) gelijk is aan de eerder met appellant getroffen terugbetalingsregeling en het beroep betrekking heeft op besluiten die inhouden dat hij het gehele bedrag in één keer moet terugbetalen.

Wat het besluit van 7 augustus 2007 (tot weigering om terug te komen van de besluiten van 29 en 30 september 2005) betreft heeft de rechtbank overwogen dat (de door appellant - aan haar - gevraagde) toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb niet aan de orde is, daar er geen sprake is van wijziging of intrekking van de invorderingsbeslissingen waarop het beroep betrekking heeft.

6. In hoger beroep heeft appellant twee grieven aangevoerd:

1e. de rechtbank heeft ten onrechte geweigerd om met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb zijn tegen het bestreden besluit ingestelde beroep mede gericht te achten tegen het evenvermelde besluit van 7 augustus 2007;

2e. voor invordering van welk bedrag dan ook was geen grond, omdat appellant steeds een negatieve afloscapaciteit heeft gehad.

7. De Raad overweegt als volgt.

7.1. Wat de weigering van de rechtbank om het besluit van het Uwv van 7 augustus 2007 in de beroepsprocedure te betrekken betreft kan de Raad zich geheel vinden in de benadering door de rechtbank.

Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Awb was het Uwv onverminderd bevoegd om hangende appellants beroep tegen het bestreden besluit, dat besluit in te trekken of te wijzigen. Niet is evenwel staande te houden dat het Uwv bij zijn besluit van

7 augustus 2007 is overgegaan tot intrekking of wijziging van het bestreden besluit. De weigering van het Uwv om bij het bestreden besluit terug te komen van zijn intrekkingsbesluit van 29 september 2005 en/of zijn terugvorderingsbesluit van

30 september 2005 - welke beide in rechte onaantastbaar waren geworden doordat appellant daartegen geen bezwaar had gemaakt - is niet aan te merken als en evenmin op één lijn te stellen met intrekking of wijziging van het bestreden besluit. Aan de vraag of in de vrijspraak van appellant door de politierechter een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is gelegen dat/die het Uwv aanleiding had dienen of behoren te geven om van zijn intrekkings- en wijzigingsbevoegdheid gebruik te maken, komt de Raad hier niet toe.

Dat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het besluit waarbij het Uwv appellants bewaar tegen het besluit van 7 augustus 2007 ongegrond heeft verklaard - al had appellant dat beroep maar ingesteld om nog een ijzer in het vuur te hebben ingeval de rechtbank zou besluiten het besluit van 7 augustus 2007 niet in de beroepsprocedure te betrekken - is een keuze waarvan de gevolgen voor zijn rekening zijn.

In het kader van de thans bij de Raad aanhangige procedure kan dus niet aan de orde komen of het intrekkingsbesluit van 29 september 2005 en het terugvorderingsbesluit van 30 september 2005 terecht en op goede gronden zijn genomen.

7.2. Vaststaat dat bij het Uwv op 23 november 2005 op basis van de door of voor appellant verstrekte inkomensgegevens een negatieve afloscapaciteit is vastgesteld. Appellants veronderstelling dat zich daarmee niet een invordering met € 25,-- per maand verdraagt, is niet juist. Het staat het Uwv vrij om ondanks die negatieve afloscapaciteit gebruik te maken van appellants aanbod om met een zodanig - gering - bedrag per maand terug te betalen. Dat appellant, naar hij heeft gesteld, tot dat aanbod is gekomen om te voorkomen dat bij hem beslag zou worden gelegd, maakt dat niet anders.

8. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor vergoeding van proceskosten zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en G. van der Wiel en G.J.H. Doornewaard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.C. Palmboom.

JL